E-mail: tij@tijkools.nl   

 
 

 

Clauskes Kuil

 

Links: Een klein gedeelte van de plas (1961)
Toonkamp bij Clauskes Kuil (1962)

     

Deel 2

Het Heieind

Het Heieind telde 4 boerderijen, 2 kleine en 2 grotere, 7 arbeiderswoningen en 3 dubbele blokken noodwoningen met in totaal 6 gezinnen. Op het Heieind woonden 9 ongehuwde vrijgezellen, wat vrij veel was voor zo'n klein gebied.
De onderlinge verhoudingen waren goed, zowel bij de volwassenen als bij de kinderen. De kinderen gingen veel om met elkaar en van enige ruzie was geen sprake.
Achter de noodwoningen, die er na de bevrijding waren neergezet vanwege de grote woningnood, had de gemeente ook een varkenshok geplaatst dat bedoeld was voor algemeen gebruik voor degenen die een varken hadden. Op zekere dag liet een van de bewoners het varken van mijn moeder ontsnappen. Opgeschoten jongeren uit de Sint. Jozefparochie joegen het varken zolang op totdat het bezweek aan een hartaanval. De jongeren maakten zich uit de voeten en mijn moeder bleef zitten met een grote strop. Het varken was ongeveer kilo.
Het aantal kinderen bij de gezinnen op het Heieind varieerde van 1 tot 14.
De wc's van de noodwoningen hadden geen watercloset, de andere huizen op het Heieind trouwens ook niet. Bij de noodwoningen waren nieuwe waterputten gemaakt. Waterleiding was er dus niet, ook niet bij de andere huizen. Het water uit de nieuwe putten had in het begin een vieze, naar specie smakende, smaak. Aan de 'tuin' grensde een groot heideveld (Heieind!). Tijdens de zomermaanden hoorde je onafgebroken de krekels zingen die zich bij koude weer veilig terugtrokken in hun holletjes diep in de grond, maar soms trokken ze zich ook wel terug in bijvoorbeeld de warmte van een bakkerij of een andere warme plek. In de zomer hingen de leeuweriken, die hun nesten hadden in de heide, in de lucht. Ze bleven op één plek in de lucht hangen terwijl ze onafgebroken hun hoge zangtonen lieten horen. Het hoorde bij het leven in die tijd, evenals de duizenden blauwe en bruine gekleurde vlinders die het zoet uit de bloeiende heide haalden.
Tussen de noodwoningen en de Braak lag een met spoorbielzen en heel veel prikkeldraad afgemaakte grafplaats. Het Heieind lag best wel centraal, want binnen 10 minuten liep je naar Clauskes Kuil,  Vreekwijk, het Vloeieind of de Sint. Jozefparochie en op 20 minuten loopafstand lag de Baarschot met daarachter de Aa. De Hoeve lag iets verderop. Het was een groot gebied wat je als kind, maar ook later nog wel, te voet doorkruiste.
Later werd er voor de bouw massaal 'rooie grond' voor de nieuwbouw gehaald op het Heieind. Jarenlang werd de rooie grond weggehaald op  plaatsen waar de heide was. Er werd ook nog een voetbalveld aangelegd op dezelfde heide. Uiteindelijk  slonk, jaar na jaar, de heide tot ze uiteindelijk verdwenen was.
Tinus, een van de Vlemmixen uit Vlierden, haalde aardappelschillen op bij mensen die zelf geen varken hadden en tevens leegde hij ook de beerput als men daar om vroeg.
In de zomer werd er altijd gezwommen in Clauskes Kuil. Via een binnenweggetje langs Bertje Rooyakkers en een paar waterkuilen die op ronde kuilen in de Peel leken kwamen bij het water aan. Clauskes Kuil was een plas van een paar honderd meter lang en breed, met daaromheen allerlei kleinere plassen met water. Er zat veel snoek in Clauskes Kuil, maar dat was niet het enige wat er  te vinden was, want langs de plas waren een paar bosperceeltjes lagen, wemelde het na de bevrijding van oorlogstuig. Van kleine patronen tot kanonskogels, land/tankmijnen, mortiergranaten, Duitse handgranaten enz. Maar ook in het water zelf waar we zwommen, voor zover als er sprake was van zwemmen, want veel kinderen konden in die tijd niet zwemmen, lag allerlei oorlogstuig. Op de bodem lagen vooral veel Duitse handgranaten. Die hadden een wat vreemde vorm; een steel van zo'n 35 à 40 cm. lang met aan het uiteinde een soort pot eraan. De kinderen speelde daarmee en gooide die handgranaten zo ver ze konden. Ik geloof niet dat er ooit een granaat is afgegaan en, ondanks het feit dat lang niet iedereen kon zwemmen, is er bij mijn weten nooit iemand verdronken in Clauskes Kuil.

Nog steeds stookten de meeste mensen na de bevrijding turf. Soms ook werden er droge dennenappeltjes, die in overvloed in de bossen lagen, verzameld.  De kachel werd er mee aangemaakt.

Op de iets lager gelegen nattere plekken tussen de heide groeiden smelen (Pijpestrootje) waarvan de wortels door jongens werden uitgegraven. Dat was een heidens karwij, want de wortels zaten zeer vast en diep in de grond. Voor 2 cent per kilo kon je die wortels verkopen. Er werden goede kwaliteitsborstels van gemaakt die hier en daar nog wel te koop zijn.
Gebeurtenissen van bijzondere betekenis gingen aan het Heieind voorbij. Wel stierf er eens de moeder of schoonmoeder van boer Manders. 's Avonds gingen we dan de rozenkrans bidden bij Manders in huis en daarna werd er even naar de dode gekeken die opgebaard lag in een groot tweepersoons ledikant.
Een andere keer verscheen een politiemotor met zijspan, waarin een verdachte van een inbraak op het Heieind. Voor de kinderen was dat natuurlijk wel leuk, want zoiets zag je niet iedere dag.
De kinderen vochten ook niet onderling en ze kwamen bij elkaar over de vloer.
Soms liepen, bij mooi weer,  en paar moeders met hun kroost naar het Zandbos om daar een middag door te brengen. Er werden dan boterhammen en flessen met ranja meegenomen.

Tegen het Heieind aan woonde Pietje Grommen, die met een, voor die tijd speciale wagen het huisvuil in Deurne ophaalde. De wagen werd getrokken door een paard en kon worden omgekipt middels een zwengel. Het was ook in die tijd dat er een begin gemaakt werd met het op grote schaal  storten van huis- en ander afval op grote oppervlakten in de Sint Jozef Parochie in Deurne. Het 'gewone volk' had in die tijd nog geen vuilnisbakken. Eigenlijk was er ook niets om weg te gooien. Plastic werd  hier nog niet gebruikt en alles wat papier was werd bewaard als verpakkingsmateriaal en kon altijd nog worden gebruikt om de kachel mee aan te maken of te poetsen. Etensresten, voor zover die er waren, gingen naar het varken, de kippen of kat en hond.
Nee, aan de vuilophaaldienst moest het volk nog wennen. Later toen er echt huisvuil te over was, werd dat dikwijls gewoon in een sloot gedumpt. Eigenlijk keek men het ook wel een beetje af hoe de gemeente het zelf deed.
Pietje Grommen had een zoon die Jung heette. Hij was muzikant; drummer en niet de eerste de beste. Met Deurne kermis speelde hij nog wel eens bij café van Calis, geflankeerd door twee mooie accordeonistes. Verder speelde hij veel in het Limburgse land.
Slechts 20 jaar daarvoor woonde Peer de Corte op een tiental meters afstand van Pietje Grommen's huis, ook tegen het Heieind aan. Peer was een sociaal, zeer bewogen man, die opkwam voor de werkman. In 1923 kreeg hij het voor elkaar dat de arbeiders het werk er bij neergooiden bij zowel het veenbedrijf als de ontginningen van de gemeente Deurne. Wouter Kortooms, de vader van de latere schrijver Toon Kortooms, was toen directeur van het veenbedrijf van de gemeente Deurne.  In 1928 zou Peer de Sint Jozef Parochie voorgoed verlaten en na korte tijd in Vlierden te hebben gewoord, vetrok hij met zijn gezin naar Helmond, waar hij enige tijd in de gemeenteraad zat. Een zoon van Peer de Corte werd de later zo bekende zanger, muzikant en componist Jules de Corte. Jules keerde jaren later nog wel terug naar de gemeente Deurne en woonde nog geruime tijd in het mooie kerkdorp Helenaveen.

 

Links: Het gezin van Peer de Corte kwam in de problemen omdat Peer na de staking ontslagen werd door de gemeente Deurne en het gezin op straat gezet.
 

Rechts: In het midden Peer de Corte die, in
tegenstelling met de andere arbeiders, altijd een hoedje droeg tijdens het werk.