E-mail : tij@tijkools.nl  

 
 
Liesselseweg, zijkant van 2
woningen onder 1 kap
De korenvelden
waar we op uit keken
Liesselseweg
Fa. Ugen


Ik ben op 21 maart 1937 geboren in het oudste gehucht van Deurne: Het Derp. Onze woning aan de Liesselseweg had nummer J52. Op het Derp  woonden toen zo'n 35 burger- en een 5-tal boerengezinnen. Het Derp lag precies tussen Deurne en het gehucht Vreekwijk in, langs de spoorlijn Eindhoven -Venlo. Aan de andere kant van de spoorlijn woonde De Wieger; die wonderbaarlijke dokter Wiegersma. We zagen hem regelmatig voorbij komen op zijn paard Jane als hij patiënten ging bezoeken, dicht bij zijn huis of ver weg in een kerkdorp. Als kind bleef je een beetje bij hem uit de buurt want hij zag er uit als Raspoetin, zoals je die later in een film in de bioscoop zag, maar het was toch altijd weer een gebeurtenis als je hem daar hoog op zijn paard gezeten voorbij zag rijden. Als klein kind kreeg ik eens een gulden van hem, toen ik er, samen met mijn moeder, voor de een of andere kwaal naar toe moest. Enige jaren later weigerde een klein meisje een rijksdaalder van hem aan te nemen omdat hij er eerst op spuugde.
 

Sientje Kivits Een plaggenhut in de Peel Hendrik Wiegersma


Ook Sientje Kivits, ooit beschreven in "Peelwerkers" van Antoon Coolen, passeerde er van tijd tot tijd met een stuk of zes hondjes die om haar heen sprongen. Verder herinner ik me uit mijn prille jeugd nog de onafgebroken colonnes met Duitse militairen die voorbij trokken. Wij woonden pal langs de weg waar zowat alles voorbij kwam wat naar Limburg moest of daar vandaan kwam, en dat was heel wat tijdens de bezettingsjaren. 

 

In de zomer zagen we ook Henkie de stoelenmatter regelmatig langs komen, met op zijn rug een stapel biezen. Hij ging dan, vooral bij boeren, de stoelen met biezenmatten repareren en kreeg daarvoor in ruil eten en soms wat geld. Af en toe at en sliep hij bij onze achterburen. Soms als hij wat geld had gekregen voor zijn nuttige arbeid, kocht hij een fles sterke drank en dronk die dan in één avond leeg. Hij mocht dan bij de achterburen zijn roes uitslapen in de stal op het stro. Hij verzekerde zich er eerst wel van dat hij een emmer water meenam om tijdens de nacht zijn nadorst te lessen. 's Morgens was de emmer half leeg. Als hij de dag erna uitgeslapen was, strompelde hij weer verder, want hij liep mank, naar een volgende klant. Tijdens de wintermaanden zag je hem niet. Hij liet zich dan insluiten in een huis van bewaring, zei men, om zich te verzekeren van gratis voedsel en onderdak.

Regelmatig ook zagen we Tieneske rond het middaguur aanbellen bij het klooster van de nonnen. Hij kreeg daar dan een maaltijd aangeboden. Tieneske was een zwerver. Ook nog na de oorlog. Na de bevrijding vroeg een ministerie aan de gemeente Deurne of de man nog steeds in Deurne verbleef. Het antwoord van de gemeente Deurne was: "M. Borghs (zo heette het manneke) is nog steeds zwervende".

 

De meest geliefde man in de buurt was Willem van Heugten. Hij was ongeveer  een meter vijfenvijftig 'lang'. Als hij thuis was, dan waren er bijna altijd kinderen. Soms wel tien en meer. Hij was vrijgezel en had bijna geen familie. Rond de jaarwisseling schreef hij altijd een kaart, met zijn kroontjespen, naar een nicht ergens ver weg in het land. Dat was altijd een plechtig moment, zowel voor hem als voor ons. We keken gespannen toe als hij zijn beste wensen voor het nieuwe jaar opschreef. De ballpoint was toen nog niet in zwang. Van Willem mochten we altijd fruit plukken in zijn lange achtertuin, mochten we een grote perenboom, met duizenden peertjes, leegplukken, kregen we dikwijls sneetjes brood met suiker en mochten allerlei spellen doen in zijn woonkamer. Hij had een houten, wat gammele vloer in zijn huiskamer en als we daar rondsprongen dan gebeurde het meer dan eens dat er een of ander 'heiligenbeeld', met stolp en al,  van een kast viel. Met de restanten van het beeld mochten we dan tekenen op de vloer. 

 

Een heel ander figuur, was een boer in de buurt.  Ik heb nooit één vriendelijk woord van de man gehoord. Nu was het in die tijd zo, dat kinderen die tussen de graanvelden doorliepen, soms een aar plukten en die tussen de twee handen rolden om de graankorrels er uit te halen en op te eten. Als het koren op de velden rijp was, dan werd het door sommige boeren mee naar huis genomen, waar het gedorst werd. Zo gebeurde dat ook bij die boer. Zelf reed hij dan op de fiets achter paard en wagen aan. Als de wagen dan door een bocht ging, dan bleven er soms een paar aren in een heg hangen. Als een kind die dan uit de heg wilde pakken, dan sloeg hij dat kind met de punt van zijn stok, die hij altijd bij zich had, want hij had een houten poot.

 

Als we buiten de deur kwamen, dan konden we zo de akkers in lopen. Je zag akkers zo ver als je kijken kon. Dat was ons speelterrein. Grote vlakten vol met korenvelden in de zomer. Om je een beeld te kunnen vormen van het uitzicht dat wij toen hadden, moet je in gedachten graanvelden zien waar nu al vele jaren alleen maar maïs staat.

In de nazomer zag je de korenmijten staan. Tijdens de zomer zag je de stroomdraden, die toen nog bovengronds waren, vol zitten met zwaluwen. Dat zag er dan uit als notenbalken.  Veel zwaluwen hadden hun nesten in de wallen die ontstaan waren door de kleiwinning. In de sloten die aan weerszijden van de spoorlijnen lagen stond riet en als die droogvielen in de zomer dan zagen we daar de grote cocons waar prachtige grote gekleurde vlinders uit kwamen zoals de Koninginnepage.  Verderop in  dezelfde spoorsloot had Sientje Kivits een tijd gehuisd, totdat arbeiders van het spoor een nieuwe plaggenhut voor de familie ging bouwen.

 

Op tweehonderd meter afstand van ons huis lag een dal dat ontstaan was door kleiwinning voor de steenovens die in de buurt waren. In dat dal, dat iedereen "Berg en Dal" noemde,  waren diepe waterplassen die wemelden van groene kikkers en salamanders met oranje en gele buiken met zwarte stippen. In de zomeravonden hoorde je de kikkers waar de plassen mee vol zaten. Verderop, boven de heidevelden, zag en hoorde je met mooi weer de leeuweriken die hoog in de lucht hingen. Dikwijls rook je de heerlijke geur van de gele lupinen. Op binnenweggetjes zag je 's morgens en  's avonds bij honderden de zwarte en bruine slakken. Wild zag je maar weinig, omdat er veel gestroopt werd.

"Berg en Dal" werd later, zoals alle mooie waterplassen die er in de buurt waren, door de gemeente gebruikt als vuilstortplaats.
In de zomer gingen we altijd zwemmen in "Clauskes Kuil" . Ook liepen we vaak door de Staatsbossen naar de Aa bij het gehucht "De Hoeven". Dat was kilometers ver lopen maar bleef altijd leuk. Tijdens de lange tocht dronken we, als we dorst hadden, gewoon uit de sloten. Het water was toen nog schoon. Maar onderweg pikten we ook links en rechts een appeltje of pruim mee en tegen de winter aten we de gele wortelen die op de akkers stonden. Of kersen van een boom die tussen twee weilanden in stond. Als het graan van de velden was, dan werd er dikwijls nog spurrie gezaaid maar ook stonden dan de velden vol met allerlei soorten knollen voor het vee. Die vonden we lekker en we wisten precies welke het smakelijkst waren.

 

Mijn  moeder

Werd geboren op 6 oktober 1910 op De Vliegert. Een piepklein gehucht onder Grashoek in de Peel. Toen mijn moeder twee jaar oud was stierf haar moeder op 34-jarige leeftijd, ruim twee maanden na de geboorte van een tweeling. Mijn grootvader bleef achter met zeven kinderen. Het oudste zusje van mijn moeder, Tante Truu, nam op naar negende de zorg voor het gezin op zich. Negen jaar 'oud'! Grootvader werkte immers overdag om de kost te verdienen en kon daarom niet voor de kinderen zorgen, want het gezin had dan geen inkomen. 

Op haar elfde werd mijn moeder verhuurd als meid bij een zogenaamde heerboer.

De omstandigheden daar zouden stof kunnen zijn voor de 'Bergmann cyclus'. De boer had een hoop knechten en meiden. Die waren al naar gelang de rangorde onderverdeeld in soorten.  De boer zelf zat tijdens de zomer dikwijls, samen met de pastoor en een notaris, onder een erker aan de wijn. Ze hadden de jachtgeweren bij zich staan, want na enige glazen naar binnen te hebben gewerkt togen ze het veld in om daar op wild te gaan jagen. Na gedane arbeid keerde het drietal huiswaarts om zich tegoed te doen aan nog een glaasje en vervolgens aan te schuiven voor het diner dat bereid was door de boerin zelf. Het 'personeel' had ander eten en dat werd elders genuttigd.

Mijn moeder werkte van vroeg in de morgen, koeien melken, tot 's avonds laat. Per jaar bestonden haar verdiensten uit gratis kost en één paar schoenen.  Later 'diende' ze, om maar eens een andere term te gebruiken, ook nog ooit bij de familie Vullings in Horst, waar ze het zeer naar haar zin had en het heel wat aangenamer was dan bij haar eerste 'werkgever'.

Toen mijn moeder volwassen was geworden leerde ze mijn vader kennen.

 

Mijn vader zag het  levenslicht in Rotterdam op 11-11-1911. Zijn ouders overleden al op jonge leeftijd. Hij was nog maar een kind toen hij wees werd. Hij groeide op in een weeshuis in het Limburgse Horn. Daar leerde hij het timmervak. Mijn moeder leerde hem kennen toen ze twintig was. Mijn vader was met het weekend niet weg te slaan bij mijn moeder. Jonge boeren die ook een oogje hadden op mijn moeder vonden het maar niks dat daar zomaar een vreemde snoeshaan, met een heel ander taalgebruik dan zij, opdook. Mijn vader kreeg dus slaag als ze hem zagen. Voortaan liet hij zich per taxi brengen en ophalen.

Ze trouwden in Horst en kwamen puur bij toeval in Deurne terecht, omdat ze daar een woning konden vinden.

Mijn vader had zich ontwikkeld als een knap vakman. Thuis had hij een klein kantoortje en in dat kantoortje tekende hij voor ons op glasplaten allerlei afbeeldingen, die hij  dan voor ons op de muur projecteerde.  Naast het kantoortje stonden een paar kleine machines en een grote machine die aangedreven werden door de motor van een motorfiets. Die motor had hij gemonteerd in een houten framewerk en stond buiten. 

Eens had hij een tochtvrije deur uitgevonden waar Hub van Doorne naar kwam kijken, maar daar was toen blijkbaar te weinig belangstelling voor.  Hij kon álles maken van hout. Maar de tijden werden nog moeilijker dan ze al waren. Er kwam werkloosheid, met als gevolg dat ook mijn vader terecht kwam op de werkverschaffing. Hij stond daar met een schop in zijn handen waar hij niets mee kon, maar dan ook niets.

In die tijd togen mensen naar Duitsland. Zo ook mijn vader in 1939. Daar was werk genoeg! Veel Duitsers haastten zich om het leger van Hitler te versterken. Daardoor was er een tekort aan vaklieden. Hij ging naar Berlijn en werkte daar als timmerman/meubelmaker bij een aantal bedrijven en begon er later voor zichzelf een meubelbedrijfje. Hij maakte en verkocht er zijn, dikwijls in opdracht gemaakte, spullen. Jaren na de bevrijding kwamen we nog zijn stickertjes tegen die hij op zijn verkochte meubels plakte. En hoewel hij Marinus heette met de voornaam, gebruikte hij in Duitsland, volgens de stickers, de naam Martin Kools. 

Mijn moeder bleef achter met zes kinderen. Hij schreef honderden brieven, altijd met vulpen (de ballpoint werd pas in 1945 uitgevonden), en kwam slechts af en toe thuis naar Deurne. Ik herinner me nog de vele brieven. Vanaf de tijd dat Nederland bezet werd door de Duitsers, werden die altijd opengemaakt, want alles moest door de censuur. Dat was goed te zien aan de enveloppen, want die werden weer dichtgeplakt met strookjes papier vol met hakenkruisjes. Regelmatig maakte hij geld over voor mijn moeder, die verder geen inkomsten had, maar het gebeurde steeds vaker dat hij een tijd geen geld overmaakte. Mijn moeder klopte dan aan bij de gemeente. Maar die zei vervolgens dat haar man maar voor het inkomen moest zorgen.

Eens zei gemeentesecretaris Gijsbers in het bijzijn van enkele ambtenaren "als jullie die vrouw geen geld geven, dan doe ik het uit eigen zak". Mijn moeder was tijdens de perioden dat ze geen inkomen had, aangewezen op anderen.

In 1943 wilde mijn moeder een peelveldje pachten van de gemeente. Iedereen in Deurne kon zo'n peelveldje pachten. Er zou echter alleen toestemming voor worden gegeven als een familielid de turf zou steken. Mijn moeder zelf kon dat niet natuurlijk, mijn vader zat in Berlijn en de kinderen waren daarvoor nog veel te klein. Ze gaf dus als turfsteker haar vaders naam op, want brandstof was onontbeerlijk voor warmte en om te koken. Grootvader was dan wel niet in staat om het werk te doen, maar ze vond de man van een vriendin bereid om het werk te doen. De toestemming van de gemeente kwam uiteindelijk op 12 maart. (Brief)"Ik deel U mede, dat er geen bezwaar tegen zal worden gemaakt dat U dit jaar op een peelveld biedt, ook al hebt U het vorig jaar geen veenveld gekocht". Toen er begonnen werd met het steken van de turf werd nauwlettend in de gaten gehouden wie de turf zou steken en jawel hoor. Op 3 april 1943 viel het volgende bericht bij mijn moeder in de bus:  (Brief) "Naar mij bleek heeft uw vader, wonende te Helden, Grashoek, van den Heer Kortooms, Directeur der Gemeentelijke Veenderijen, de uitgezonderde vergunning verkregen om op naam van uw man een peelveld te pachten nabij de Hooge Brug, welk peelveld dus voor u bestemd is, en wat uw vader juist ten uwen behoeve verkreeg, omdat hij voor het steken van de turf zou zorg dragen. Ik begrijp dan ook niet wat de heer Martinus Verhees hiermede te maken heeft en kan deze dan ook geen vergunning geven dit werk voor u te doen".

Toen mijn moeder  eens ondersteuning vroeg bij armenmeester Roest kreeg ze eens één dubbeltje! Voor de oorlog was er trouwens al kritiek op de man, want een zekere Goorts had stevige kritiek op hem "vanwege onthouding van armenbedeling".

Mijn moeder verkocht altijd haar distributiebonnen om met de centen die dat opbracht 'zwart' te kopen. Ze kreeg in mei 1942 een keer extra bonnen omdat er een dochtertje geboren was. Die bonnen wilde mijn moeder ruilen met de vrouw van een bakker tegen garen. Daar kon ze dan truien en sokken voor breien voor de andere kinderen. Toen de 'deal' gemaakt werd in de winkel van de bakker had echter een andere vrouw het gesprek gevolgd en gaf dat door bij de gemeente. Twee dagen daarna kreeg ze een briefje van de gemeente om zich daar te "vervoegen met de extra bonnen". Gelukkig kon ze de bonnen nog terughalen en ze laten zien zodat er geen maatregen tegen haar genomen konden worden.

Ik herinner me nog goed dat ik af en toe  met mijn moeder meeging naar de villa van Hub van Doorne, daar kreeg ze wél wat geld. Blijkbaar had die een potje klaar staan, want de dienstbode verdween  nadat er werd open gedaan en kwam dan meteen terug om wat geld te overhandigen. De Wieger gooide in die tijd wel eens een grote zak snoep naar binnen.  Ik herinner me als de dag van gisteren dat een vrouw die boodschappen had gedaan voor haar eigen grote gezin, bij ons binnenkwam en van haar brood zes sneedjes afsneed en daar zes plakken kaas oplegde voor ons. Die vrouw was Anna Horst uit Vreekwijk. 

 

Mijn moeder had het gereedschap van mijn vader al bij stukjes en beetjes moeten verkopen. Op zekere dag verkocht ze zelfs haar trouwring voor twee gulden en vijftig cent om eten te kopen. Haar distributiebonnen verkocht ze dikwijls voor een paar centen. Eens, toen ze een kachel had gekocht in Deurne op afbetaling en een of twee keer niet kon aflossen, werd de kachel door de winkelier brandend het huis uitgehaald.  In onze parochie was kapelaan Vinken. Die kwam een keer op bezoek bij ons en een van de buren. Toen mijn moeder zei dat ze het zeer moeilijk had en niet eens aan een ei kon komen, ging hij naar een boer in de buurt waar hij een volle tas met eieren meekreeg. Die verdeelde hij, zonder dat die boer het wist, bij een paar gezinnen in de buurt. Mijn moeder fietste af en toe naar Helden of Horst waar zussen van haar woonden. Daar kreeg ze dan spullen mee. Af en toe kon ze ook aan kloppen bij de families  Schouten en van de Sterren uit Liessel.

 

Toch hield ze de moed er in en in gedachten hoor ik haar nog "Valencia" zingen. Maar ook een triest lied over ouders die naar de cinema gingen en hun kroost alleen thuis lieten, terwijl er in het huis tot overmaat van ramp ook nog brand uitbrak. Verdere uitleg van de gevolgen van die brand is natuurlijk niet nodig.

 

Bezetting

Ik herinner me nog de twee Duitsers die tegen de muur van een huis, waar de kap vanaf was gewaaid bij een storm, appels zaten te eten. Toen ik er met een vriendje langs liep en wij gretig naar die appels keken, brak een van de Duitsers een appel doormidden en kregen wij ieder de helft.
Even voor zijn overlijden in oktober 1941 maakte de Deurnese pastoor Roes in een openbare aankondiging nog even duidelijk dat het volk zich diende "te onthouden van handelingen, waardoor "met recht"  "de ergernis der Duitse autoriteiten zou kunnen worden opgewekt"

Tijdens de bezetting werd in Nederland de pro-Duitse organisatie "Winterhulp" opgericht. Die zamelde onder meer geld in voor 'onze jongens' aan het Oostfront. Nederlanders die in dienst waren getreden bij de Duitsers, maar ook arme gezinnen kregen er af en toe wat steun van. Zo ook wij. Burgemeester Lambooy was voorzitter van Winterhulp in Deurne, dat in 1941 ruim 4000 gulden kreeg uit de grote pot en om dat geld te besteden aan hulpbehoevenden. In totaal werd er in Deurne 24.000 gulden aan 'behoeftige' besteed. "Er zijn thans 325 aanvragen om hulp binnen gekomen, zodat toch lang weer niet allen behoorlijk geholpen kunnen worden" schreef Lambooy.

Wie wel goed boerden tijdens de bezetting waren de kerken. Het was er altijd druk in de missen. Ook op werkdagen gingen velen naar de kerk.

Speciaal voor de kinderen was er in 1940, als extraatje in deze moeilijke tijd, een leuke kinderfilm. Maar voor de kinderen van de Muloschool ging het feest niet door. Het hoofd van de Muloschool schreef aan de burgemeester:
"Edelachtbare Heer Burgemeester,

Naar ik hoor is het de wens van het schoolbestuur, dat onze leerlingen gedurende de Adventstijd geen bioscoopvoorstellingen bijwonen. Daarom moet ik U onder dankzegging voor Uw vriendelijk aanbod berichten, dat onze school de voorstelling van Dinsdagmiddag niet kan bijwonen."

Aan een kindervoorstelling in 1942 namen 'de kinderen van de fraters' wel deel. De onkosten voor de voorstelling werden betaald door giften:

Directeur fraterschool f 10,=
Oud-burgemeester van Beek f 2,50

Weduwe Thielens f 2,50

Pastoor van Abeelen f 10,=

Tandarts Berkvens f 10,=

Pastoor Piggen f 10,=

Dokter Wiegersma f 40,=

Wiegersma voegde bij zijn gift nog de volgende mededeling: "Mocht U te kort komen, dan verwacht ik opnieuw een aanvrage." Zowel door zijn gift als de mededeling, week Wiegersma ook hier af van het gangbare patroon in het dorp. Zo schreef het college van B en W op 3 en 13 februari 1943 hem, dat "U zich dient te houden aan de verduisteringsverordening" van de bezetter.

De verhouding tussen de Deurnese bevolking en de bezetter leken, op enkele uitzonderingen na, niet al te vijandig. Op 16 februari 1942 schrijft de burgemeester  aan de Commissaris der Provincie m.b.t. Deurne kermis het volgende"...zover van belang, dat in de gemeente ongeveer 70 á 80 Duitse militairen zijn gelegerd, terwijl er praktisch niet het minste contact bestaat tussen de burgerij en deze militairen en ook geenszins moeilijkheden aan de ene of de andere zijde worden ondervonden". Aanleiding doorvoor was het feit, dat tal van kermisexploitanten zich tot de gemeente hadden gewend met het verzoek om de kermis te laten plaatsvinden omdat zij anders nagenoeg geen inkomen hadden.

   

In de jaren dertig schommelde het aantal werklozen in Deurne rond de 300. In het begin van de oorlog werden er al 73 personen "naar Duitsland bemiddeld". Enige tijd later werkten er alleen al in het Duitse Mörs en omgeving ongeveer 280 personen uit Deurne. Deze mensen werkten er op vrijwillige basis. Bij het vliegveld Venlo waren bijna 200 personen uit Deurne werkzaam. Bij het veenbedrijf van de gemeente Deurne werd 38 cent betaald, tegenover 45 cent in het vrije bedrijf. Bij het 'eervol' ontslag van de directeur van het gemeentelijk Veenbedrijf, Wouter Kortooms, die in de volksmond Wouter Stroop werd genoemd en de vader was van schrijver Toon Kortooms, werd door een raadslid  dan ook geprotesteerd tegen de term 'eervol'. "Tijdens de bezetting moesten de Peelwerkers werken voor 0.38 per uur terwijl in het vrije bedrijf gewerkt werd voor 0.45 per uur", zei het raadslid Willem Wijnen. In 1945 zou hij ook kritiek hebben op burgemeester Lambooy, omdat tijdens de bezetting "de Burgemeester de arbeiders te veel aanspoorde om in Duitsland te gaan werken". Hij zei toen ook dat er "meer arbeiders naar Duitsland waren gezonden, dan door het arbeidsbureau gedurende de gehele latere periode". Lambooy's reactie aan Wijnen: "In de vier en een half jaar waarin hij 123 vergaderingen hield met hem, heeft hij maar twee maal de moed gehad met hem van mening te verschillen en dan nog wel op punten van vrij ondergeschikt belang, terwijl hij nu het beleid van de burgemeester juist in die jaren becritiseert, ik vind Uw houding zeer laf mijnheer Wijnen".

Treurig was de moord op de 19-jarige studend Erwin, M, Joseph ? op 16 september 1942, hij was afkomstig uit Amsterdam. "Vermoord door illegale werkers ten eigen bate" werd genoteerd.

Op dezelfde dag maar dan in september 1944 werd van G. door zogenaamde illegalen omgebracht. Men liet hem zo liggen zonder hem te begraven in de bossen bij het gehucht de Baarschot. Zijn vrouw en acht kinderen bleven alleen achter. De vrouw met haar kinderen werden uit het huis gezet en haar huis geplunderd. Later kreeg zij daar een deel van terug. "De burgemeester zou zonder enige wettelijke grond (aan een zeker iemand) toestemming hebben gegeven zich het varken (van de weduwe) toe te eigenen zonder dat daarvoor ook maar enige vergoeding werd gegeven".

De vrouw kreeg later een 'woning' waarvan Van den Broek de volgende notie aan het college van B en W stuurde: "Het voorvertrek is niet meer dan een stal. Het regent en waait overal doorheen. Het achtervertrek is slaapkamer voor de hele familie. Moeder en de twee meisjes slapen in één bed en de jongens slapen in de alkoven. Dit vertrek is helemaal afgesloten van licht en lucht en als het regent worden slaapgelegenheden in orde gebracht om de kachel in de keuken. Een vreselijke toestand. Aangezien het beter is dat deze familie afgezonderd woont ben ik een paar honderd meter verderop gaan kijken in een leegstaande schuur. Deze is stukken beter wat bouw betreft, doch veel te klein om dit gezin te huisvesten".

 

          
 

Evacuatie Helmond en Schuilkelder

Even voor de bevrijding van Deurne in september 1944 moesten we evacueren. Mijn moeder toog, met nog een ander gezin, en haar zes kinderen richting Liessel. Daar vonden we onderdak bij een boerengezin. Toen we daar zo'n dag hadden doorgebracht, kwam het bericht dat we helemaal de verkeerde kant op gegaan waren. Mijn moeder ging dus weer terug naar huis. Een dag later vertrok mijn moeder met ons te voet naar Helmond. Dat was voor ons een enorme afstand om te lopen. Vooral voor mijn moeder met nog drie kleinere kinderen die jonger waren dan ik (7 jaar). Onderweg kwamen we allerlei mensen tegen die ook ergens naar toe trokken. Bijna alle families hadden adressen waar ze enige tijd konden intrekken. Mijn moeder niet. Die wist niet waar ze de nacht met ons zou moeten doorbrengen. Toen ze daar met ons door de straten trok werden we uiteindelijk binnengeroepen door een zekere Willem Willemse aan de Lithoyseweg. Willem was zetter bij een drukkerij. De familie Willemse had één zoon. We zijn ongeveer een week bij die familie geweest en hadden het daar zeer naar onze zin. Tot ver na de oorlog zou het contact blijven bestaan. 's Avonds laat zaten we bij de Willemsen in de gang, met de voordeur open, om de formaties bommenwerpers van de  geallieerden  over te zien en horen vliegen richting Duitsland.

Voor de kinderen was het wel een avontuur, die evacuatie. Zo zag je nog eens wat anders dan in Deurne.

 

Toen we weer terug konden naar Deurne bleek buurman Gerit Ugen ons varken gevoerd te hebben tijdens de afwezigheid van mijn moeder. Dat was dus een meevaller.

Al snel daarna moesten we de schuilkelder in, want links en rechts werd nogal geschoten. We hadden zelf geen schuilkelder, dus schoven we maar aan bij die van de buren. Maar die zat zo vol, dat we met onze hoofden boven het maaiveld uitstaken. We zijn toen naar het al eerder genoemde Willemke van Heugten gerend. Die had nog plek genoeg in zijn schuilkelder die hij gegraven had op een meter of 20 afstand van zijn huisje. Ik weet niet precies meer met hoeveel we daar zaten, maar het zullen er zo'n twintig geweest zijn. Een vrouw deed in haar broek. Van angst of vanwege de onmogelijkheid om ergens anders haar behoefte te doen. Maar je rook het in ieder geval. Later zou daar nog dikwijls over gelachen worden.

 

 

 

ALEX

Er liep ook nog enige tijd een zekere Alex rond bij ons in de buurt. Alex was niet bang uitgevallen. Hij was één van de geallieerde bevrijders van Deurne.

Het was een zwarte Amerikaan met krulletjes. Op zekere dag had hij genoeg van al dat oorlogsgedoe. Hij zette er een punt achter en gooide er het geweertje bij neer. Toevallig viel  dat gelijk met de bevrijding van Deurne. Alex dook onder bij een gezin dicht bij ons. Toen hij niet present was op het appél, werd er overal in de buurt naar hem gezocht, maar zonder resultaat.

Overdag hield hij zich schuil, maar zodra het goed en wel begon te schemeren kwam hij tevoorschijn. Overdag had hij, door de dakpannen iets op te lichten, een overzicht van wat zich buiten, rondom het huis waar hij zich schuilhield, afspeelde. Zo had hij ook het overzicht op twee zeer nabij gelegen boerenerven. Als het donker was kon hij er bijna blindelings naar toe lopen om zich kort daarna met wat kippen of ander eetbaar spul weer terug te trekken naar zijn schuiladres. Met de bevrijding van Frankrijk, België en Nederland had hij natuurlijk voldoende sluipervaring opgedaan. Voor enkelen was hij een redder in nood, want ook na de bevrijding was het er niet veel beter op geworden. Naarstig werd er door politie en MP naar hem gezocht. Door de tip van een 'verrader' kwamen ze achter het schuiladres van Alex. De buurt werd afgezet en het huis doorzocht, maar zonder resultaat. Alex had zich tijdens de huiszoeking verstopt onder een zware draagbalk op zolder. Hij begon zich steeds meer thuis te voelen in de buurt. Hij werd steeds ruiger en we zagen hem af en toe ook al buiten lopen op klaarlichte dag. Ook al was het in burgerkleding. Het duurde toen niet lang meer voordat hij tegen de lamp liep. Hij werd gearresteerd en aan de haren naar een jeep van de MP gesleurd. We hebben jammer genoeg nooit meer iets van hem vernomen.

 

 

 

Rood wit blauw

Al 8 dagen voordat de officiële overgave van de nazi's een feit was, werd op de avond van 30 april 1945 in Berlijn de rode vlag van de Russen gehesen op het dak van de Rijksdag.

Mijn vader, een van de velen uit Deurne, die 'vrijwillig' in Duitsland waren gaan werken bracht het er goed van af. Toen de Russen Berlijn binnen vielen had hij zich gehuld in een rood-wit-blauwe vlag. Hoe hij daar aan gekomen was is niet meer te achterhalen. Hij werd ondervraagd door de Russen, maar kon blijkbaar voldoende aantonen een gewoon inwoner van Berlijn te zijn geweest, zodat hij verder niet lastig gevallen werd.

Hij vertelde dat sommige Russen koperen kranen uit keukens sloopten in de veronderstelling dat ze die thuis maar in de muur hoefden te schroeven en open draaien om op een simpele manier aan water te komen.

 

 

 

Na de bevrijding

Deurne werd bevrijd op 23 september 1944, na vier jaar en bijna vier maanden bezetting. De Duitsers hadden amper hun hielen gelicht toen het Deurnes volk kennis kon maken met de "kaalknippers" van Deurne. Deurnese mannen die vrouwen kaal knipten en tentoonstelden omdat ze 'fout' geweest zouden zijn tijdens de bezetting. Op een open vrachtwagen werden ze voor de leeuwen gegooid en door het dorp gereden. Een vrouw die tijdens de bezetting een pro-Duits iemand als vriend had gehad werd met rust gelaten, omdat ze inmiddels gearmd met een Engelse militair liep. Één vrouw, die nooit iets met een Duitser had gehad, werd kaalgeknipt omdat haar zus, waar ze het op gemunt hadden inmiddels naar een andere plaats verhuisd was. Uit een interviewtje met een man komt het volgende: "Ik moest 'n keer houtblokken naar (een) mevrouw (S.) brengen. Ze riep me binnen voor 'n bak koffie en ging tegenover me zitten zodat ik tegen d'r tieten aan kon kijken. Ik durfde toen nog niks, hoewel ik wist dat ze tijdens de bezetting zowel met Duitse officieren als met Deurnese notabelen naar bed ging. Ze werd ook niet kaalgeknipt op de markt na de bevrijding. Dat kwam omdat ze die Deurnese notabelen zo goed kende".

 

Als we door het raam naar buiten keken, dan zagen we in de velden voor ons huis allemaal  tanks en andere legervoertuigen van de geallieerden. Een paar honderd meter verderop, achter de molen was een noodvliegveldje aangelegd waar kleine vliegtuigjes konden landen en opstijgen. 

In de bossen bij Vreekwijk was tijdens de bezetting een kamp van de "Nederlandse Arbeids Dienst" geweest. Elders in de gemeente waren er nog twee van die kampen.  De bezetter wilde, gaandeweg de oorlog,  de NAD steeds meer Duitsgezind maken. Als men zich aansloot bij een club van de nazi's dan kon men zich een hogere functie verwerven bij de NAD.  Vanaf 1942 werd in die kampen steeds meer druk uitgeoefend om lid te worden van een nazi partij. Een aantal mensen verlieten, als ze daartoe kans zagen daarom die dienst.

Toen de Duitsers  in september 1944 ijlings op de vlucht sloegen, lieten ze een aantal voertuigen waar iets aan mankeerde achter. Dat was voor de gemeente Deurne een mooie kans om een paar van die voertuigen op te knappen en ze voor de gemeente te gaan gebruiken. Er was veel schade in de gemeente en een paar voertuigen waren hoogst  noodzakelijk. De heer Dekkers van het Gemeentelijk Elektriciteitsbedrijf vroeg daarom aan een zekere Frans van den Eijnden of die samen met hem wilde gaan kijken in het voormalige NAD kamp naar het defecte spul wat achtergelaten was. Er werden een paar voertuigen, die weer op te lappen waren, uitgezocht. Toen de spullen zouden worden opgehaald bleek echter dat alles verdwenen was. Na enig speurwerk werd duidelijk dat kerkmeester A. hen was voor geweest. Hij had de spullen inmiddels doorverkocht. De gemeente Deurne zag van vervolging af omdat er een kerkmeester in het geding was.

Na de bevrijding deed de burgemeester van Deurne er twee jaar over om twee schrijfmachine's te lenen. Een kwam er van de paters en de andere van de pastoor. De gemeente had de machine's twee jaar in gebruik.  van den Broek van de gemeente (die door de mensen  "Den Technicus"  werd  genoemd schreef op 9 september 1946 in een intern schrijven aan het college van B en W: de "pastoor presteerde het om een rekening naar de gemeente te sturen van f 600,--. f 6,-- per week huur". "Indien de huur van de paters ook zo hoog komt, is het beter en voordeliger er een in 't 'zwart' te kopen". In die tijd was de prijs voor een nieuwe typemachine ongeveer f 425,--

Alleen uit Neerkant en Liessel alleen al waren er 500  aangiftes van plundering en diefstal. De daders waren (inclusief de Duitse bezetter) Amerikanen, Schotten en Engelse militairen. Van alles werd er meegenomen. Kleding, geld, zilverwerk zoals horloges, lepels en vorken, maar ook tafelkleden, gordijnen, lakens, dekens, inmaakgoederen en andere levensmiddelen, borden, koppen, schotels en rookwaren. Burgemeester Lambooy schreef op 16 november 1944 aan de Nederlandse Militaire Commissie: "Dergelijke dingen hebben wij zelfs van de Duitsers in geen 4 jaren ondervonden". Zo kwamen er ook klachten uit Vlierden en Zeilberg. Daar betrof het Amerikanen die zich schuldig maakten aan diefstal en plundering. Vlierden had ook al te maken gehad met andere kwalijke zaken. Van G. werd omgebracht door íllegalen' in de bossen bij het gehucht de Baarschot. Daarna werd diens weduwe met kinderen haar huis uitgejaagd. Haar huis werd leeggeplunderd.  Later zou er een berisping komen aan het adres van de gemeente omdat die alles op zijn beloop had gelaten.


Langs ons huis aan de Liesselseweg kwam een open vrachtwagen met kaalgeknipte SS-ers kwam voorbij. De gevangenen moesten de lijken van gesneuvelde Duitsers die in de buurt inderhaast begraven waren na de schietpartijen tijdens de bevrijding opgraven. Wij mochten daar niet in de buurt komen, maar we roken de stank van het ontsmettingsmiddel op een paar honderd meter afstand.

 

Munitie.  

Na de bevrijding lag het, niet ver van huis, vol met mijnen, granaten en ander oorlogstuig. Pas enkele jaren na de oorlog is het spul bij elkaar verzameld en tot ontploffing gebracht. Er kwamen enkele mensen om, door onvoorzichtig om te gaan met het spul. Jaren later vonden we in de bossen nog allerlei oorlogstuig wat daar tijdens de bezetting en met de bevrijding terecht was gekomen.


Na de bevrijding was er de Hark (Hulp Aktie Rode Kruis). De afkorting H.A.R.K. werd in de volksmond ook wel vertaald als een hark om zoveel mogelijk binnen te halen voor degenen die het niet nodig hadden. Zo nu en dan werd er ingegrepen bij de landelijke organisatie vanwege corruptie. Een keer werd zelfs het bestuur vervangen. Minstens een keer is het gebeurd dat iemand uit Liessel door een Engelse chauffeur een volle vrachtwagen met spullen van de H.A.R.K. bij zich thuis liet bezorgen om ze te verhandelen, maar ze konden hem nog op tijd in de kraag grijpen. Mensen die het hard nodig hadden konden bij de H.A.R.K. af en toe kleren of iets van huisraad krijgen. Wat ik me ervan herinner is, dat mijn moeder een keer een lap groene legerachtige stof kreeg waarvan ze pakjes liet maken voor drie van haar kinderen. Een andere keer kreeg mijn moeder het bericht dat ze iets kon gaan uitzoeken in een grote loods achter het N.S.-station in Deurne. Ik herinner me nog hoe hol onze stemmen klonken toen we in de loods kwamen,omdat de loods vrijwel leeg was. In een hoek stonden nog 6 vreemde stoeltjes met schuine pootjes en een gaatje in de zitting en zonder leuning. Die stoeltjes hebben we nog jaren gebruikt.

 

Bij de pastorie kreeg mijn moeder eens een briefje van twee gulden vijftig met de mededeling van pastoor van Abeelen: "Nu moet je het eerste half jaar niet meer terug komen, Lena".

 

Na de oorlog stond er van tijd tot tijd een mannetje dicht bij de school waar je oude vodden naar toe kon brengen. Je kreeg daarvoor een ballon of een klein speeltje. In die tijd werd er ook gezegd dat Rusland balpennen uit vliegtuigen strooiden. De balpen was nog maar net in gebruik. Je moest die pennen dan laten liggen, want daar stond propaganda op van de Russen. Zo'n pen was een van de ergste dingen die er waren en je dacht er dan ook niet aan om zo'n pen op te rapen want dat was wel het ergste wat je kon overkomen.

 

De jaren vijftig

De katholieke menigte liet zich niet alleen uitmaken voor vuile vis door de beroemde en beruchte donderpreken van de 'bruine' paters tijdens de vastentijd, maar ze gingen er ook nog naar toe.  Ik ben er een of twee keer naar toe geweest, maar het trok mij niet. Ik hoorde de verhalen trouwens toch wel van degenen die er geweest waren. "Vanavond was er een hele goeie pater en lelijk dat hij kon doen!".

Van ouderen hoorde ik dat er ooit een pater gepreekt had die zelfs het kruis met Jezus en al van de preekstoel gooide. Het kruis viel in stukken uiteen. "Wie durft het op te rapen" brulde hij naar de menigte die daar stokstijf en muisstil zat te luisteren naar zo'n man.

Alles wat met de kerk te maken had was overgoten met een soort 'heilige waas". Jezus was overal, tot in een appel toe! Met grote stelligheid werd door iedereen beweerd dat, als er per ongeluk een hostie op de grond zou vallen een 'gewone sterveling' die niet op kon rapen. Dat kon alleen een priester. Dat was ook de enige die van gewoon water wijwater maken kon "dat nooit aan bederf onderhevig was". Als een priester de 'heilige communie' bij iemand thuis bezorgde omdat die bijvoorbeeld niet goed ter been was dan knielde je als die priester voorbij kwam. Je kon hem herkennen aan een of ander wit lint wat hij om zijn hals had.

Heel bijzonder was in de meimaand het leggen van bloemen door de parochianen op een plein met een beeld. Ik meen dat het een Heilig hartbeeld was, maar ik meen me te herinneren dat de bloemen toch voor de Heilige Maagd Maria bedoeld waren. Je rook overal de geur van de bloemen. Vooral die van rozen. Ook waren er de processies. Je trok dan rond door wat straten met ergens in de groep de pastoor onder een baldakijn. Bij een school werd dan provisorisch een of andere dienst gehouden. Ook was er nog een kindsheidoptocht. Dan werd er geld opgehaald voor "de arme zwartjes" ergens in Afrika. Omdat er toen amper een 'gekleurde medemens' rondliep in de regio, werden wat kinderen zwart geschminkt om weer te geven hoe zo iemand er uit zag. Wel zag je ooit de (Chinese) pindamannetjes die langs de deuren kwamen om hun pindarepen aan de vrouw of man te brengen.

Deel 2 en Deel 3 heb ik in 2006 geschreven ergens op een Grieks eiland met zo nu en dan een slok Uzo
   
Deel 1 Deel 2 Deel 3