Tij Kools Archief

___________________________________________________________________________________________© Copyright: Tij Kools

De relatie tussen
Antoon Coolen en Hub van Doorne
na de bevrijding
Deel 3

  tijkools@versatel.nl
 
 

"TROEBEL ORANJE OPGEHELDERD!" Dat stond ongeveer 1 jaar na de bevrijding van Deurne met grote vetgedrukte kop, in hoofdletters en met uitroepteken, bovenaan op de voorpagina van Het Licht.  Daarnaast stond ook nog eens een foto van de Majesteit.
Het Licht, dat zich tot dan vrijwel afzijdig had gehouden van commentaar op de gespannen verhoudingen in Deurne, haalde ook maar eens uit, met 'zwaar' geschut zelfs.
Met ingezonden stukken van Ir. F. J. F. Philips, Mr. O. Assmann uit Eindhoven, Hub van Doorne zelf... en Antoon Coolen. De laatste had een afschrift gekregen van de brief van Assmann en mocht daar een reactie op geven in Het Licht.
Assmann schreef, dat hij met verwondering kennis genomen had van de beschuldigingen die in de Deurnesche Courant waren geuit aan het adres van Van Doorne. Indertijd zou Assmann de leiding gehad hebben bij het onderzoek naar de gedragingen van D.A.F. en haar directie tijdens de bezettingsjaren. Hij was toen hoofd van de afdeling Politiezaken van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Volgens hem was de   aanleiding tot het onderzoek voortgekomen uit het feit dat  er aanklachten waren geuit door een voormalig employé van D.A.F. Assmann was, in de veronderstelling dat de aanklachten juist waren, aan een uitgebreid onderzoek begonnen. Dit onderzoek had geruime tijd in beslag genomen. Nu stelde hij er, middels dit ingezonden stuk, prijs op, te verklaren, dat door dit onderzoek vast was komen te staan, dat de aanklachten totaal ongegrond gebleken waren. Volgens Assmann bleek dit ook uit het feit, dat tijdens de bezetting geen productie-uitbreiding had plaats gevonden bij D.A.F. Dat de winsten waren teruggelopen, zodat het bedrijf verlies leed. Dat D.A.F., hoewel overstelpt met Duitse  orders, met succes alle moeite gedaan had om orders voor direct oorlogsmaterieel te weren en niet uit te voeren.
Tenslotte schreef hij dat de Nederlandse belangen door D.A.F. in hoge mate waren behartigd en dat nog wel, ondanks het feit dat D.A.F., vanaf het begin onder Duits militair toezicht stond. Militair Gezag had Assmann en de zijne zelfs verweten "op eigen houtje een onderzoek te hebben ingesteld". Hij voegde daar nog aan toe: "Ik vind het zeer betreurenswaardig, dat de heer A. Coolen niet de moeite genomen heeft zich van bevoegde zijde te laten voorlichten, maar zich heeft laten verleiden een te goeder naam en faam bekend staand ingezetene van Deurne aan te vallen".
Coolen die door Het Licht in de gelegenheid werd gesteld om op de brief van Mr. O. Assmann te reageren, deed dat met een korte reactie:

"De heer Assmann was zoo vriendelijk mij afschrift van bovenstaande te doen toekomen, zoodat ik in de gelegenheid ben er onmiddellijk eenige regels ten antwoord aan toe te voegen.
Heeft de heer Assmann met verwondering kennis genomen van de artikelen in de Deurnesche Courant, ik heb zonder eenige verwondering kennis genomen van zijn schrijven. Ik was nl. én van het door hem ingestelde onderzoek én van het resultaat waartoe dit heeft geleid én van het standpunt van het Militair Gezag én van bovenstaande weerlegging volkomen op de hoogte, toen ik mijn artikelen schreef. Evenmin als dit mij van het schrijven der artikelen weerhield, evenmin kan de samenvattende publicatie ervan door den heer Assmann voor mij aanleiding zijn er ook maar één letter van terug te nemen. Zou ik dat, na bovenstaande moeten doen, dan zou ik mij inderdaad tot die lichtvaardigheid hebben laten verleiden, waarop de heer Assmann in de laatste alinea van zijn schrijven zinspeelt, - de eenige alinea in zijn schrijven overigens, die wél mijn verwondering heeft gaande gemaakt." Coolen zou daar later nog op terugkomen.
Na  Coolen's reactie kwam nog eens die van Het Licht. Nu op het schrijven van Coolen:

"Het zal, neen het MOET nu meer dan duidelijk zijn, dat alle aantijgingen, deze kwestie betreffende, tot en met gelogenstraft zijn. In het door ons in extenso afgedrukte zeer vage schrijven van Antoon Coolen kan men het DOEL ontdekken, waarmee de heer Coolen zijn artikelen schreef:
1. Ofwel hij gaat niet akkoord met de uitspraak van de officieele instanties. Maar in dat geval behoort hij zich met de klacht ook tot die instanties te wenden,
2. Ofwel hij gaat er wél mee akkoord; maar dan kan zijn doel alleen maar dit zijn: met een steeds weer nieuwe prikkel te proberen de gemoederen van het Deurnesche publiek op te hitsen. Mocht dit laatste het geval zijn, dan ligt hier een duidelijk bewijs, dat het ongeschokt vertrouwen van de Deurnesche ingezetenen in den Heer van Doorne zich niet liet beïnvloeden door deze  langdurige hetze, en tevens dat de publieke opinie ook in deze weer de enige juiste is geweest.
Dat de heer Coolen dergelijke bewuste vergalopperingen doodgewoon als een lichtvaardigheid durft te betitelen, geeft wel een duidelijk beeld van zijn opvattingen. We zijn er evenwel van overtuigd, dat de Heer van Doorne zeer zeker zijn recht zal weten te vinden."

Het stuk van Philips was min of meer een 'protestverklaring'. Hij schreef, met verwondering te hebben kennis genomen van de stelselmatig gevoerde campagne van Coolen tegen de industrieel H. J. van Doorne in de Deurnesche Courant. Als voorzitter van de Eindhovense Fabrikantenkring, meende hij met klem te moeten protesteren, omdat Coolen verwijten maakte aan Van Doorne, zonder deze of een bevoegde instantie te hebben gehoord. Philips wenste dan ook met nadruk te verklaren, uitsluitend ui het oogpunt van rechtvaardigheid, dat Van Doorne's fabriek juist vóór 1940 groot was geworden en zich "als fabrikant heeft doen kennen als een zeer goed Nederlander, die steeds spontaan en openlijk optrad tegen iederen maatregel van den bezetter, die de Nederlandsche belangen of speciaal die van zijn arbeiders beoogde aan te randen; daarbij getuigde hij van een groote felheid, die, vooral waar zijn fabriek vanaf het eerste oogenblik onder speciale Duitsche militaire controle stond, ongetwijfeld ernstige gevaren met zich bracht".
Volgens Frits Philips had Van Doorne in de Bedrijfsgroep "Transportmiddelen te Land", waarvan hij voorzitter was, steeds gestreden tegen iedere maatregel, die het Nederlandse industriële leven dreigde te knechten of te nationaal-socialiseren. In de fabrikantenwereld was de reputatie van de directie van Van Doorne's Aanhangwagen-fabriek dan ook volkomen ongerept gebleven, en Frits Philips protesteerde dan ook met kracht tegen Coolen's verdachtmakingen, welke naar zijn overtuiging, iedere grond misten en bovendien ter beoordeling moesten worden overgelaten aan de daarvoor officieel aangewezen instanties. Nu werd getracht, om medeburgers op te zetten tegen Van Doorne. Afkeurenswaardig was volgens Philips deze methode vooral, omdat hier een schrijver, die zonder enige verantwoordelijkheid voor het wel en wee van vele mensen door de oorlog ging, een industrieel zwart maakte, welke, uit de aard van zijn functie, dagelijks deze verantwoordelijkheid had moeten dragen.

Ook een reactie van  Hub van Doorne  stond in datzelfde nummer van Het Licht: "Open brief aan den Heer Antoon Coolen."

Hij schreef tot nu te hebben gezwegen op de vele beschuldigingen in de Deurnesche Courant, omdat hij er van overtuigd was dat Coolen's geschrijf in Deurne toch geen invloed zou hebben op de ingezetenen, maar ook, omdat hij de gespannen verhoudingen die er heersten in het dorp, niet nog meer wilde toespitsen. "Nu U, meneer Coolen, echter blijft doorgaan mij te belasteren, wil ik aan dat zwijgen een einde maken en zal ik U het antwoord geven, dat U zelf uitlokt."
De beschuldigingen en verdachtmakingen in de Deurnesche Courant kwamen er volgens Van Doorne op neer, dat hij tijdens de bezetting de productie van zijn fabriek verveelvoudigd zou hebben en het personeel aangemoedigd met levensmiddelenpakketten. Maar ook, dat hij een man in dienst zou hebben genomen, welke, dank zij zijn N.S.B.-verleden, speciaal voor het najagen van Duitse orders geschikt was. Tenslotte, dat hij tijdens de bezetting gehandeld zou hebben "met terzijdestelling van de vaderlandsche belangen."
Over de verveelvoudiging van de productie schreef Van Doorne dat in zijn fabriek tijdens de bezetting geen uitbreiding daarvan had plaatsgevonden. Hij kon dit bewijzen, omdat dit bij een onderzoek van zijn bedrijf uitdrukkelijk was vastgesteld. "Als U, heer Coolen, het tegendeel beweert, gaat U ofwel uit van leugenachtige beweringen, waarvan U de waarheid niet onderzocht hebt, of U bent zelf een leugenaar".
Voor wat betreft de levensmiddelenpakketten die het personeel aangeboden zouden zijn, verklaarde Van Doorne uitdrukkelijk "dat er nooit of te nimmer ook maar één Duitsch levensmid- delenpakket aan mijn personeel is uitgereikt."
Van Doorne over de persoon met het N.S.B.-verleden:
"Mijn relatie met een persoon, die door zijn vroegere N.S.B.-lidmaatschap een wit voetje bij de Duitschers zou hebben, kan toch wel niemand serieus nemen. Inderdaad heb ik in mijn dienst den heer J. Soeten, die N.S.B.-lid geweest is en na den inval der Duitschers om principieele redenen uit de N.S.B. is getreden. Zou dit nu een aanbeveling moeten zijn voor de Duitschers? Denkt U, heer Coolen, nu werkelijk dat de heer Soeten hiermee te koop kon loopen of zou hij, als afvallige van de partij, niet eerder kans gehad hebben juist om die reden in een concentratiekamp te geraken? Ik heb mij voor indiensttreding van den heer Soeten uitdrukkelijk ervan overtuigd, dat ik zeker kon zijn van zijn vaderlandsche houding. Verder kan ik U verzekeren, dat mijn fabriek vanaf het begin overstelpt is geweest met opgelegde Duitsche orders."
Van Doorne schreef, lang gezwegen te hebben, omdat hij van mening was dat Coolen te goeder trouw was maar beïnvloed door verkeerde voorlichting. Maar nu steeds duidelijker werd dat hij bewust de waarheid verdraaide en mogelijk ook zijn fantasie de vrije loop liet,  "moet ik wel concludeeren, dat U bewust leugens verspreidt!" In bijna al Uw artikelen doet U het voorkomen, alsof mijn 'goedheid' zooals U dat noemt, alleen maar te danken is aan het geld, dat ik aan de Duitschers verdiend zou hebben en dat ik daarmee mijn onvaderlandsche houding goed wil maken. Hoe komt het dan, dat ik reeds voor den oorlog een boek van U ten geschenke kreeg, waarin U zelf de opdracht had geschreven: "Aan Hub. van Doorne, in de vreugde toen ik den zegen Uwer goedheid zag?"
Wat Uw beschuldiging betreft, dat ik tijdens de bezetting gehandeld zou hebben met terzijdestelling van de vaderlandsche belangen, wil ik dit zeggen: Natuurlijk ben ik ervan overtuigd, dat U een goed vaderlander bent. Ik heb U dat zelf een paar maal voor de radio hooren verklaren. Ik vind het minder juist om mijn vaderlandsche daden zelf openbaar te maken, maar ik ben direct bereid, ook al was mijn plaats honderdmaal moeilijker dan de Uwe, alles voor te leggen aan een onpartijdige commissie, die mijn daden en de Uwe zal mogen beoordeelen en zal kunnen uitmaken, wie in dien tijd méér voor het vaderland gedaan heeft, U of ik!
Van U verwacht ik nu, dat U Uw beschuldigingen herroept. Mocht U dit niet doen, dan zal ik die stappen doen, waartoe de wet mij het recht geeft."

Tenslotte stond in hetzelfde nummer van Het Licht nog een groot artikel van hoofdredacteur Mulders: "Het kaartenhuis van beschuldigingen". Hij schreef dat het weekblad steeds gezwegen had over de zaak in het belang van de orde en rust in Deurne. Een krant vond hij ook niet het middel om dergelijke zaken uit te vechten, maar nu echter bovenstaande brieven waren  binnen gekomen, meende de redactie van Het Licht ook haar mening eens te moeten publiceren.
Volgens Mulders bestonden er in Deurne gespannen verhoudingen. Het gif spuiten, volgens Mulders, dat reeds maanden en maanden duurde, gebeurde door een groep waarvan de woordvoerder een onomstreden begaafdheid bezat om zijn gedachten op papier te zetten. Het is deze persoon niet gelukt, om echt wantrouwen te kweken jegens hem, die steeds voorwerp was van die aanvallen. Ook al werd deze man nooit met name genoemd, maar hij werd wel zodanig aangeduid dat er geen twijfel over was wie er bedoeld werd. Deze man, die tot dan het moddergooien rustig had aangezien, omdat hij wel wist dat zijn opposant toch niet in staat was om de gevestigde mening in Deurne te veranderen, wilde er nu niet langer meer het zwijgen toe doen.
Volgens Mulders had Antoon Coolen andere mogelijkheden om zijn politieke grieven tegen de industrieel Van Doorne te uiten. "Indien hij het echter verkiest zijn vaardige pen te misbruiken voor persoonlijke aanvallen, indien hij zo ongeveer blad na blad van de Deurnesche Courant slechts met dit ene geval wenst te vullen, dan laten wij hem gaarne dit genoegen."
Mulders schreef dat Het Licht er nimmer voor gevoeld had, haar kostbare papier - hij doelde daarmee op de papierschaarste die er toen was - te misbruiken voor weerlegging van al die aantijgingen die er de laatste maanden zoal geuit werden. "Wij wisten wel dat dit bij de blijkbaar zeer wel tot oordelen bevoegde Deurnese bevolking geen geloof zou vinden. Verre van zich door de geuite aantijgingen te laten intimideren, heeft de 'vox populi' zich onlangs bij de verkiezing van het Oranjecomité duidelijk laten horen en zijn ongeschokt vertrouwen aan de aangevallen persoon gemanifesteerd." 

 

 

Deel 1 Deel 2 Deel 3 Deel 4