|
"TROEBEL
ORANJE OPGEHELDERD!" Dat stond ongeveer
1 jaar na de bevrijding van Deurne met grote
vetgedrukte kop, in hoofdletters en met
uitroepteken, bovenaan op de voorpagina van
Het Licht. Daarnaast stond ook nog
eens een foto van de Majesteit.
Het Licht, dat zich tot dan vrijwel afzijdig
had gehouden van commentaar op de gespannen
verhoudingen in Deurne, haalde ook maar eens
uit, met 'zwaar' geschut zelfs.
Met ingezonden stukken van Ir. F. J. F. Philips,
Mr. O. Assmann uit Eindhoven, Hub van Doorne zelf... en Antoon
Coolen. De laatste had een afschrift
gekregen van de brief van Assmann en mocht
daar een reactie op geven in Het Licht.
Assmann schreef, dat hij met verwondering
kennis genomen had van de beschuldigingen
die in de Deurnesche Courant waren geuit aan
het adres van Van Doorne. Indertijd zou
Assmann de leiding gehad hebben bij het
onderzoek naar de gedragingen van D.A.F. en
haar directie tijdens de bezettingsjaren.
Hij was toen hoofd van de afdeling
Politiezaken van de Nederlandse Binnenlandse
Strijdkrachten. Volgens hem was de
aanleiding tot het onderzoek voortgekomen
uit het feit dat er aanklachten waren
geuit door een voormalig employé van D.A.F.
Assmann was, in de veronderstelling dat de
aanklachten juist waren, aan een uitgebreid
onderzoek begonnen. Dit onderzoek had
geruime tijd in beslag genomen. Nu stelde
hij er, middels dit ingezonden stuk, prijs
op, te verklaren, dat door dit onderzoek
vast was komen te staan, dat de aanklachten
totaal ongegrond gebleken waren. Volgens
Assmann bleek dit ook uit het feit, dat
tijdens de bezetting geen
productie-uitbreiding had plaats gevonden
bij D.A.F. Dat de winsten waren
teruggelopen, zodat het bedrijf verlies
leed. Dat D.A.F., hoewel overstelpt met
Duitse orders, met succes alle moeite
gedaan had om orders voor direct
oorlogsmaterieel te weren en niet uit te
voeren.
Tenslotte schreef hij dat de Nederlandse
belangen door D.A.F. in hoge mate waren
behartigd en dat nog wel, ondanks het feit
dat D.A.F., vanaf het begin onder Duits
militair toezicht stond. Militair Gezag had
Assmann en de zijne zelfs verweten "op eigen
houtje een onderzoek te hebben ingesteld".
Hij voegde daar nog aan toe: "Ik vind het
zeer betreurenswaardig, dat de heer A.
Coolen niet de moeite genomen heeft zich van
bevoegde zijde te laten voorlichten, maar
zich heeft laten verleiden een te goeder
naam en faam bekend staand ingezetene van
Deurne aan te vallen".
Coolen die door Het Licht in de gelegenheid
werd gesteld om op de brief van Mr. O.
Assmann te reageren, deed dat met een korte
reactie:
"De heer Assmann was zoo vriendelijk mij
afschrift van bovenstaande te doen toekomen,
zoodat ik in de gelegenheid ben er
onmiddellijk eenige regels ten antwoord aan
toe te voegen.
Heeft de heer Assmann met verwondering
kennis genomen van de artikelen in de
Deurnesche Courant, ik heb zonder eenige
verwondering kennis genomen van zijn
schrijven. Ik was nl. én van het door hem
ingestelde onderzoek én van het resultaat
waartoe dit heeft geleid én van het
standpunt van het Militair Gezag én van
bovenstaande weerlegging volkomen op de
hoogte, toen ik mijn artikelen schreef.
Evenmin als dit mij van het schrijven der
artikelen weerhield, evenmin kan de
samenvattende publicatie ervan door den heer
Assmann voor mij aanleiding zijn er ook maar
één letter van terug te nemen. Zou ik dat,
na bovenstaande moeten doen, dan zou ik mij
inderdaad tot die lichtvaardigheid hebben
laten verleiden, waarop de heer Assmann in
de laatste alinea van zijn schrijven
zinspeelt, - de eenige alinea in zijn
schrijven overigens, die wél mijn
verwondering heeft gaande gemaakt." Coolen
zou daar later nog op terugkomen.
Na Coolen's reactie kwam nog eens die van Het Licht. Nu op het schrijven van
Coolen:
"Het zal, neen
het MOET nu meer dan duidelijk zijn, dat
alle aantijgingen, deze kwestie betreffende,
tot en met gelogenstraft zijn. In het door
ons in extenso afgedrukte zeer vage
schrijven van Antoon Coolen kan men het DOEL
ontdekken, waarmee de heer Coolen zijn
artikelen schreef:
1. Ofwel hij gaat niet akkoord met de
uitspraak van de officieele instanties. Maar
in dat geval behoort hij zich met de klacht
ook tot die instanties te wenden,
2. Ofwel hij gaat er wél mee akkoord; maar
dan kan zijn doel alleen maar dit zijn: met
een steeds weer nieuwe prikkel te proberen
de gemoederen van het Deurnesche publiek op
te hitsen. Mocht dit laatste het geval zijn,
dan ligt hier een duidelijk bewijs, dat het
ongeschokt vertrouwen van de Deurnesche
ingezetenen in den Heer van Doorne zich niet
liet beïnvloeden door deze langdurige
hetze, en tevens dat de publieke opinie ook
in deze weer de enige juiste is geweest.
Dat de heer Coolen dergelijke bewuste
vergalopperingen doodgewoon als een
lichtvaardigheid durft te betitelen, geeft
wel een duidelijk beeld van zijn
opvattingen. We zijn er evenwel van
overtuigd, dat de Heer van Doorne zeer zeker
zijn recht zal weten te vinden."
Het stuk van
Philips was min of meer een 'protestverklaring'.
Hij schreef, met verwondering te hebben
kennis genomen van de stelselmatig gevoerde
campagne van Coolen tegen de industrieel H.
J. van Doorne in de Deurnesche Courant. Als
voorzitter van de Eindhovense
Fabrikantenkring, meende hij met klem te
moeten protesteren, omdat Coolen verwijten
maakte aan Van Doorne, zonder deze of een
bevoegde instantie te hebben gehoord.
Philips wenste dan ook met nadruk te
verklaren, uitsluitend ui het oogpunt van
rechtvaardigheid, dat Van Doorne's fabriek
juist vóór 1940 groot was geworden en zich
"als fabrikant heeft doen kennen als een
zeer goed Nederlander, die steeds spontaan
en openlijk optrad tegen iederen maatregel
van den bezetter, die de Nederlandsche
belangen of speciaal die van zijn arbeiders
beoogde aan te randen; daarbij getuigde hij
van een groote felheid, die, vooral waar
zijn fabriek vanaf het eerste oogenblik
onder speciale Duitsche militaire controle
stond, ongetwijfeld ernstige gevaren met
zich bracht".
Volgens Frits Philips had Van Doorne in de
Bedrijfsgroep "Transportmiddelen te Land",
waarvan hij voorzitter was, steeds gestreden
tegen iedere maatregel, die het Nederlandse
industriële leven dreigde te knechten of te
nationaal-socialiseren. In de
fabrikantenwereld was de reputatie van de
directie van Van Doorne's
Aanhangwagen-fabriek dan ook volkomen
ongerept gebleven, en Frits Philips
protesteerde dan ook met kracht tegen
Coolen's verdachtmakingen, welke naar zijn
overtuiging, iedere grond misten en
bovendien ter beoordeling moesten worden
overgelaten aan de daarvoor officieel
aangewezen instanties. Nu werd getracht, om
medeburgers op te zetten tegen Van Doorne.
Afkeurenswaardig was volgens Philips deze
methode vooral, omdat hier een schrijver,
die zonder enige verantwoordelijkheid voor
het wel en wee van vele mensen door de
oorlog ging, een industrieel zwart maakte,
welke, uit de aard van zijn functie,
dagelijks deze verantwoordelijkheid had
moeten dragen.
Ook een reactie
van Hub van Doorne stond in
datzelfde nummer van Het Licht: "Open brief
aan den Heer Antoon Coolen."
Hij schreef tot
nu te hebben gezwegen op de vele
beschuldigingen in de Deurnesche Courant,
omdat hij er van overtuigd was dat Coolen's
geschrijf in Deurne toch geen invloed zou
hebben op de ingezetenen, maar ook, omdat
hij de gespannen verhoudingen die er
heersten in het dorp, niet nog meer wilde
toespitsen. "Nu U, meneer Coolen, echter
blijft doorgaan mij te belasteren, wil ik
aan dat zwijgen een einde maken en zal ik U
het antwoord geven, dat U zelf uitlokt."
De beschuldigingen en verdachtmakingen in de
Deurnesche Courant kwamen er volgens Van
Doorne op neer, dat hij tijdens de bezetting
de productie van zijn fabriek verveelvoudigd
zou hebben en het personeel aangemoedigd met
levensmiddelenpakketten. Maar ook, dat hij
een man in dienst zou hebben genomen, welke,
dank zij zijn N.S.B.-verleden, speciaal voor
het najagen van Duitse orders geschikt was.
Tenslotte, dat hij tijdens de bezetting
gehandeld zou hebben "met terzijdestelling
van de vaderlandsche belangen."
Over de verveelvoudiging van de productie
schreef Van Doorne dat in zijn
fabriek tijdens de bezetting geen
uitbreiding daarvan had plaatsgevonden. Hij
kon dit bewijzen, omdat dit bij een
onderzoek van zijn bedrijf uitdrukkelijk was
vastgesteld. "Als U, heer Coolen, het
tegendeel beweert, gaat U ofwel uit van
leugenachtige beweringen, waarvan U de
waarheid niet onderzocht hebt, of U bent
zelf een leugenaar".
Voor wat betreft de levensmiddelenpakketten
die het personeel aangeboden zouden zijn,
verklaarde Van Doorne uitdrukkelijk "dat er
nooit of te nimmer ook maar één Duitsch
levensmid- delenpakket aan mijn personeel is
uitgereikt."
Van Doorne over de persoon met het N.S.B.-verleden:
"Mijn relatie met een persoon, die door zijn
vroegere N.S.B.-lidmaatschap een wit voetje
bij de Duitschers zou hebben, kan toch wel
niemand serieus nemen. Inderdaad heb ik in
mijn dienst den heer J. Soeten, die N.S.B.-lid
geweest is en na den inval der Duitschers om
principieele redenen uit de N.S.B. is
getreden. Zou dit nu een aanbeveling moeten
zijn voor de Duitschers? Denkt U, heer
Coolen, nu werkelijk dat de heer Soeten
hiermee te koop kon loopen of zou hij, als
afvallige van de partij, niet eerder kans
gehad hebben juist om die reden in een
concentratiekamp te geraken? Ik heb mij voor
indiensttreding van den heer Soeten
uitdrukkelijk ervan overtuigd, dat ik zeker
kon zijn van zijn vaderlandsche houding.
Verder kan ik U verzekeren, dat mijn fabriek
vanaf het begin overstelpt is geweest met
opgelegde Duitsche orders."
Van Doorne schreef, lang gezwegen te hebben,
omdat hij van mening was dat Coolen te
goeder trouw was maar beïnvloed door
verkeerde voorlichting. Maar nu steeds
duidelijker werd dat hij bewust de waarheid
verdraaide en mogelijk ook zijn fantasie de
vrije loop liet, "moet ik wel
concludeeren, dat U bewust leugens
verspreidt!" In bijna al Uw artikelen doet U
het voorkomen, alsof mijn 'goedheid' zooals
U dat noemt, alleen maar te danken is aan
het geld, dat ik aan de Duitschers verdiend
zou hebben en dat ik daarmee mijn
onvaderlandsche houding goed wil maken. Hoe
komt het dan, dat ik reeds voor den oorlog
een boek van U ten geschenke kreeg, waarin U
zelf de opdracht had geschreven: "Aan Hub.
van Doorne, in de vreugde toen ik den zegen
Uwer goedheid zag?"
Wat Uw beschuldiging betreft, dat ik tijdens
de bezetting gehandeld zou hebben met
terzijdestelling van de vaderlandsche
belangen, wil ik dit zeggen: Natuurlijk ben
ik ervan overtuigd, dat U een goed
vaderlander bent. Ik heb U dat zelf een paar
maal voor de radio hooren verklaren. Ik vind
het minder juist om mijn vaderlandsche daden
zelf openbaar te maken, maar ik ben direct
bereid, ook al was mijn plaats honderdmaal
moeilijker dan de Uwe, alles voor te leggen
aan een onpartijdige commissie, die mijn
daden en de Uwe zal mogen beoordeelen en zal
kunnen uitmaken, wie in dien tijd méér voor
het vaderland gedaan heeft, U of ik!
Van U verwacht ik nu, dat U Uw
beschuldigingen herroept. Mocht U dit niet
doen, dan zal ik die stappen doen, waartoe
de wet mij het recht geeft."
Tenslotte
stond in
hetzelfde nummer van Het Licht nog een groot
artikel van hoofdredacteur Mulders: "Het
kaartenhuis van beschuldigingen". Hij
schreef dat het weekblad steeds gezwegen had
over de zaak in het belang van de orde en
rust in Deurne. Een krant vond hij ook niet
het middel om dergelijke zaken uit te
vechten, maar nu echter bovenstaande brieven
waren binnen gekomen, meende de
redactie van Het Licht ook haar mening eens
te moeten publiceren.
Volgens Mulders bestonden er in Deurne
gespannen verhoudingen. Het gif spuiten,
volgens Mulders, dat reeds maanden en
maanden duurde, gebeurde door een groep
waarvan de woordvoerder een onomstreden
begaafdheid bezat om zijn gedachten op
papier te zetten. Het is deze persoon niet
gelukt, om echt wantrouwen te kweken jegens
hem, die steeds voorwerp was van die
aanvallen. Ook al werd deze man nooit met
name genoemd, maar hij werd wel zodanig
aangeduid dat er geen twijfel over was wie
er bedoeld werd. Deze man, die tot dan het
moddergooien rustig had aangezien, omdat hij
wel wist dat zijn opposant toch niet in
staat was om de gevestigde mening in Deurne
te veranderen, wilde er nu niet langer meer
het zwijgen toe doen.
Volgens Mulders had Antoon Coolen andere
mogelijkheden om zijn politieke grieven
tegen de industrieel Van Doorne te uiten.
"Indien hij het echter verkiest zijn
vaardige pen te misbruiken voor persoonlijke
aanvallen, indien hij zo ongeveer blad na
blad van de Deurnesche Courant slechts met
dit ene geval wenst te vullen, dan
laten wij hem gaarne dit genoegen."
Mulders schreef dat Het Licht er nimmer voor
gevoeld had, haar kostbare papier - hij
doelde daarmee op de papierschaarste die er
toen was - te misbruiken voor weerlegging
van al die aantijgingen die er de laatste
maanden zoal geuit werden. "Wij wisten wel
dat dit bij de blijkbaar zeer wel tot
oordelen bevoegde Deurnese bevolking geen
geloof zou vinden. Verre van zich door de
geuite aantijgingen te laten intimideren,
heeft de 'vox populi' zich onlangs bij de
verkiezing van het Oranjecomité duidelijk
laten horen en zijn ongeschokt vertrouwen
aan de aangevallen persoon gemanifesteerd." |