Tij Kools Archief

___________________________________________________________________________________________© Copyright: Tij Kools

De relatie tussen
Antoon Coolen en Hub van Doorne
na de bevrijding
Deel 2

  tijkools@versatel.nl
 

Zowel de Deurnesche Courant als Het Licht werd zo nu en dan gretig gebruik gemaakt van een 'ingezonden' stuk. Al dan niet ondertekend.  Zo reageerde een 'illegaal' werker in de Deurnesche Courant van 2 februari 1945 met een open brief aan burgemeester Lambooy van Deurne. Volgens de briefschrijver had de burgemeester aangekondigd dat degenen die tijdens de bezetting in Duitsland hadden gewerkt en goederen hadden gesmokkeld die van primair levensbelang waren voor de natie, uit alle takken van de gemeentelijke dienst zouden worden geweerd in de toekomst.
Volgens de briefschrijver moest men dan ook maar eens gaan zoeken onder het personeel van het elektriciteitsbedrijf, bij de hulppolitie en de wederopbouw. Ook hoopte hij, dat de burgemeester maatregelen zou treffen, om diegenen te weren die aanzienlijke bijdragen hadden geleverd aan de zwarte markt "en wat denkt u van diegenen die zelfs tot drie weken voor de bevrijding deel uitmaakten van het N.S.B.-arbeidskader en daar met de hand in de hoogte stonden of om een andere uitdrukking te bezigen: den Germaanschen groet brachten. Niet geschikt voor Gemeentelijke diensten, vindt u wel?"
De kritiek op burgemeester Lambooy was ongetwijfeld te wijten aan het feit, dat deze zich aan de zeide van Hub van Doorne had geschaard.
Een kwalijk punt was ook, dat de Deurnesche Courant verstoken bleef van gemeentelijke informatie zoals berichten en verordeningen die thuis horen in een plaatselijk weekblad. Als reden voor het niet verstrekken van die informatie gaf de gemeente op, dat de uitgever van Het Licht zich als eerst gegadigde gemeld had voor opname van de gemeentelijke berichten, en men had dan ook aan dát blad de toezegging gedaan.
Met deze gang van zaken was men het bij de Deurnesche Courant natuurlijk niet eens. Volgens de Deurnesche Courant had het blad de eerste weken niet eens een uitgever. De redactie van de Deurnesche Courant deelde haar lezers dan ook mee, "dat de gemeente wél alle mogelijke mededelingen verstrekte en betaald had aan het tijdens de bezetting verschenen nationaal-socialistische Nieuwsblad van Deurne". Nu deze gemeentelijke mededelingen de Deurnesche Courant onthouden werden, was men daar dan ook van mening dat haar lezers door de gemeentelijke overheid in zekere zin gedwongen werden zich op Het Licht te abonneren.

Tot een directe confrontatie tussen Coolen en Van Doorne was het nog niet gekomen. Coolen werd verweten dat zijn geschrijf niet op waarheid berustte en hij er toch maar mee door ging. Coolen op zijn beurt schreef dat hij putte uit eigen ervaring en waarneming. In een niet ondertekende brief die hij ontvangen had werd hem verweten hij een vreemde in Deurne was. Maar voor Coolen was de brief aanleiding om de lezers van de Deurnesche Courant duidelijk te maken, dat hij uitstekend op de hoogte was van de gang van zaken in het Deurnese. "Niets is noodlottiger dan dit verengde, laatdunkende dorpse bewustzijn, dat zich sluitvoor de vreemdeling", schreef hij. Ook Coolen had vriendschappelijke betrekkingen onderhouden met "de industrieel". Maar argwaan-wekkende dingen tijdens de bezetting hadden de relatie met die industrieel verbroken, omdat hij in de omgang begon te merken dat "die anderen"  fout waren of deden.
Volgens Coolen waren er veel industrieën en ondernemers geweest, die wel eens mensen hadden geholpen tijdens de bezetting, maar tegelijkertijd zaten ze ook dik en dik in de Duitse Wehrmachtsorders. Dat "goed doen" was volgens hem slechts voor het eigen geweten. Wie immers een miljoen aan de Duitse oorlogsorganisatie verdiend had en de helft daarvan zou hebben weggegeven, hield nog altijd een half miljoen over s "vindt u dat niet erg veel" schreef Coolen. Volgens hem moest men de de principiële fout niet goedpraten van hem, die het genoegen had tijdens de bezetting op raspaarden te rijden terwijl het land krom lag onder de de bezetter.
Diegenen die die géén geld konden uitdelen, waren zij, die werden neergeschoten omdat ze springladingen in vimbussen hadden aangebracht en papieren vervalst hadden. Die mensen hadden alles gegeven; hun hart, jeugd, leven en bloed "dat wegsiepelde tussen het straatvuil eener hongerende stad." De bloemen van rouw, die bij hun lijken werden neergelegd in het duister werden de volgende morgen door Duitse laarzen weggetrapt schreef Coolen. Hij was van mening, dat goed doen toch wel wat anders was dan mild zijn uit fortuinlijkheid van een Wehrmachtsbetrieb dat tijdens de bezetting haar outillage kon uitbreiden, de productie verveel- voudigen en voor de Duitse orderjacht een Duitsgezind man aantrekken, kersvers uit de N.S.B. Deze man moedigde het personeel aan met levens- en genotsmiddelenpakketten, die door de Duitsers beschikbaar werden gesteld. Wat moet je denken van zo'n kliek van snoeshanen.

 

Om u als lezer een beeld te geven van de sfeer van die tijd  in Deurne, plaats ik hieronder een brief die ik in 1986 kreeg van een van de medewerkers bij de Deurnesche Courant. Een brief van meer dan 40 jaar na de bevrijding.
 

Voor de nieuwe, tijdelijke, gemeenteraad van Deurne waren de schermutselingen natuurlijk niet onopgemerkt gebleven.
Raadslid Willem Wijnen wilde al meteen bij de eerste raadsvergadering van de nieuwe raad een toespraak houden, maar dat werd hem belet door burgemeester Lambooy omdat de rondvraag nog niet aan de orde was. Toen hij bij de rondvraag eindelijk het woord kreeg, begon hij meteen met het verwijt aan de burgemeester, dat er tijdens de bezetting slechts 123 collegevergaderingen waren uitgeschreven. Hij vond dit ongepast in een democratische staat. Hij noemde het ook een schande dat de eerste raadsvergadering na de bevrijding, - Deurne was bevrijd op 23 september 1944 - pas gehouden was op 20 november. Volgens hem had die vergadering één dag na de bevrijding van Deurne al moeten plaatsvinden. "Neen, Burgemeester, steeds hebt U mij behandeld als een kettinghond. Het spijt me het U te moeten zeggen, Uw dictatoriaal optreden moet ik ten zeerste laken." Wijnen voegde er nog aan toe dat door het G.E.B. werkzaamheden waren verricht tijdens de bezetting tegen steekpenningen. Hem was bekend dat deze bestaan hadden uit 20 eieren, een pond boter, en andere goederen. Hij had "zwart op wit" dat er door het G.E.B. volop handel gedreven was in artikelen zoals motoren, pannen, komforen en fornuizen. "Het is een schande dat fornuizen de deur uit zijn gegaan, waarvoor 10 pond boter werd gegeven." Ook zwarthandelaren werden geholpen volgens Wijnen en op de zolder van het gemeentehuis was volgens hem tijdens de bezetting zelfs een olieperserij.
Burgemeester Lambooy op zijn beurt verweet Wijnen dat deze tijdens de bezetting deze klachten nooit had geuit. "Onder moeilijke omstandigheden heb ik moeten handelen, doch toen hebt U steeds gezwegen". "Had U toen bezwaren, dan was het Uw plicht als wethouder geweest om die toen te uiten."
Door het personeel van het G.E.B. was volgens Lambooy nooit en te nimmer om goederen gevraagd. Wel was het voorgekomen, dat mensen uit erkentelijkheid en dankbaarheid iets hadden gegeven.
Toen Wijnen weer aan het woord was zei hij, dat de lonen bij het gemeentelijk veenbedrijf  tijdens de bezetting te laag geweest waren; 38 cent tegen 45 cent in het vrije bedrijf en "dat de heer Kortooms steeds bezwaren maakte om de lonen te verhogen, daar
 het bedrijf verhoging niet kon dragen". (Kortooms was directeur van het gemeentelijk veenbedrijf en vader van de schrijver Toon Kortooms.) "Het een en ander had tot gevolg, dat veel arbeiders noodgedwongen wehrmachtswerken zijn gaan verrichten om in het levensonderhoud van hun gezing te kunnen voorzien".
Ook maakte Wijnen het verwijt aan burgemeester en wethouders dat de Deurnesche Courant niet was uitgenodigd om verslag te kunnen doen van de vergadering van de gemeenteraad. Hij achtte dit zelfs in strijd met de grondwet. Toen raadslid Hartjens aan Wijnen vroeg waarom hij hij was heengegaan als wethouder tijdens de bezetting, toen het hem blijkbaar niet zinde zei Wijnen: "Ik ben van plan geweest om heen te gaan, doch heb zulks niet gedaan, omdat ik vreesde, dat dan een Nazi in mijn plaats zou komen". Burgemeester Lambooy: "Zeer juist, meneer Wijnen. Daarom ben ik gebleven, totdat ik het niet meer met mijn geweten kon verantwoorden. Tijdens de laatste vordering van arbeidskrachten voor vliegveldarbeid lag ik met hersenschudding, doch werd niet gewaarschuwd. De secretaris kwam wel om met mij overleg te plegen". Raadslid Hartjens vroeg Wijnen waarom deze zich nog verkiesbaar had gesteld als wethouder onder "zo'n" burgemeester. De burgemeester was volgens hem toch gezuiverd door een ingestelde kommissie en als goed vaderlander aangemerkt. Wijnen: "Dit hebt U gelezen in een Nat. Soc. blad. Trouwens aan de commissie, die gezuiverd heeft, hecht ik evenmin waarde als aan het Militair Gezag. De maatschappij is totaal ontwricht. Minister Schermerhorn heeft onlangs zelf in een radiorede moeten toegeven, dat hem bekend was geworden, dat onder de leden van het Militair Gezag personen voorkwamen, die beter in een interneringskamp hadden thuisgehoord".

 

Deel 1 Deel 2 Deel 3