|
Zowel de
Deurnesche Courant als Het Licht werd zo nu en dan
gretig gebruik gemaakt van een 'ingezonden' stuk. Al dan
niet ondertekend. Zo reageerde een 'illegaal' werker in de Deurnesche Courant van 2 februari 1945 met een open
brief aan burgemeester Lambooy van Deurne. Volgens de
briefschrijver had de burgemeester aangekondigd dat
degenen die tijdens de bezetting in Duitsland hadden
gewerkt en goederen hadden gesmokkeld die van primair
levensbelang waren voor de natie, uit alle takken van de
gemeentelijke dienst zouden worden geweerd in de
toekomst.
Volgens de briefschrijver moest men dan ook maar eens
gaan zoeken onder het personeel van het
elektriciteitsbedrijf, bij de hulppolitie en de
wederopbouw. Ook hoopte hij, dat de burgemeester
maatregelen zou treffen, om diegenen te weren die
aanzienlijke bijdragen hadden geleverd aan de zwarte
markt "en wat denkt u van diegenen die zelfs tot drie
weken voor de bevrijding deel uitmaakten van het N.S.B.-arbeidskader
en daar met de hand in de hoogte stonden of om een
andere uitdrukking te bezigen: den Germaanschen groet
brachten. Niet geschikt voor Gemeentelijke diensten,
vindt u wel?"
De kritiek op burgemeester Lambooy was ongetwijfeld te
wijten aan het feit, dat deze zich aan de zeide van Hub
van Doorne had geschaard.
Een kwalijk punt was ook, dat de Deurnesche Courant
verstoken bleef van gemeentelijke informatie zoals
berichten en verordeningen die thuis horen in een
plaatselijk weekblad. Als reden voor het niet
verstrekken van die informatie gaf de gemeente op, dat
de uitgever van Het Licht zich als eerst gegadigde
gemeld had voor opname van de gemeentelijke berichten,
en men had dan ook aan dát blad de toezegging gedaan.
Met deze gang van zaken was men het bij de Deurnesche
Courant natuurlijk niet eens. Volgens de Deurnesche
Courant had het blad de eerste weken niet eens een
uitgever. De redactie van de Deurnesche Courant deelde
haar lezers dan ook mee, "dat de gemeente wél alle
mogelijke mededelingen verstrekte en betaald had aan het
tijdens de bezetting verschenen nationaal-socialistische
Nieuwsblad van Deurne". Nu deze gemeentelijke
mededelingen de Deurnesche Courant onthouden werden, was
men daar dan ook van mening dat haar lezers door de
gemeentelijke overheid in zekere zin gedwongen werden
zich op Het Licht te abonneren.
Tot een directe confrontatie
tussen Coolen en Van Doorne was het nog niet gekomen.
Coolen werd verweten dat zijn geschrijf niet op waarheid
berustte en hij er toch maar mee door ging. Coolen op zijn
beurt schreef dat hij putte uit eigen ervaring en
waarneming. In een niet ondertekende brief die hij
ontvangen had werd hem verweten hij een vreemde in
Deurne was. Maar voor Coolen was de brief aanleiding om
de lezers van de Deurnesche Courant duidelijk te maken,
dat hij uitstekend op de hoogte was van de gang van
zaken in het Deurnese. "Niets is noodlottiger dan dit
verengde, laatdunkende dorpse bewustzijn, dat zich
sluitvoor de vreemdeling", schreef hij. Ook Coolen had
vriendschappelijke betrekkingen onderhouden met "de
industrieel". Maar argwaan-wekkende dingen tijdens de
bezetting hadden de relatie met die industrieel
verbroken, omdat hij in de omgang begon te merken dat "die
anderen" fout waren of deden.
Volgens Coolen waren er veel industrieën en ondernemers
geweest, die wel eens mensen hadden geholpen tijdens de
bezetting, maar tegelijkertijd zaten ze ook dik en dik
in de Duitse Wehrmachtsorders. Dat "goed doen" was
volgens hem slechts voor het eigen geweten. Wie immers
een miljoen aan de Duitse oorlogsorganisatie verdiend
had en de helft daarvan zou hebben weggegeven, hield nog
altijd een half miljoen over s "vindt u dat niet erg
veel" schreef Coolen. Volgens hem moest men de de
principiële fout niet goedpraten van hem, die het
genoegen had tijdens de bezetting op raspaarden te
rijden terwijl het land krom lag onder de de bezetter.
Diegenen die die géén geld konden uitdelen, waren zij,
die werden neergeschoten omdat ze springladingen in
vimbussen hadden aangebracht en papieren vervalst
hadden. Die mensen hadden alles gegeven; hun hart,
jeugd, leven en bloed "dat wegsiepelde tussen het
straatvuil eener hongerende stad." De bloemen van rouw,
die bij hun lijken werden neergelegd in het duister
werden de volgende morgen door Duitse laarzen weggetrapt
schreef Coolen. Hij was van mening, dat goed doen toch
wel wat anders was dan mild zijn uit fortuinlijkheid van
een Wehrmachtsbetrieb dat tijdens de bezetting haar
outillage kon uitbreiden, de productie verveel- voudigen
en voor de Duitse orderjacht een Duitsgezind man
aantrekken, kersvers uit de N.S.B. Deze man moedigde het
personeel aan met levens- en genotsmiddelenpakketten,
die door de Duitsers beschikbaar werden gesteld. Wat
moet je denken van zo'n kliek van snoeshanen.
|
Om u als lezer een beeld te geven van de sfeer
van die tijd in Deurne, plaats ik
hieronder een brief die ik in 1986 kreeg van een
van de medewerkers bij de Deurnesche Courant.
Een brief van meer dan 40 jaar na de bevrijding.
|
|
 |
Voor de nieuwe, tijdelijke,
gemeenteraad van Deurne waren de schermutselingen
natuurlijk niet onopgemerkt gebleven.
Raadslid Willem Wijnen wilde al meteen bij de eerste
raadsvergadering van de nieuwe raad een toespraak
houden, maar dat werd hem belet door burgemeester
Lambooy omdat de rondvraag nog niet aan de orde was.
Toen hij bij de rondvraag eindelijk het woord kreeg,
begon hij meteen met het verwijt aan de burgemeester,
dat er tijdens de bezetting slechts 123
collegevergaderingen waren uitgeschreven. Hij vond dit
ongepast in een democratische staat. Hij noemde het ook
een schande dat de eerste raadsvergadering na de
bevrijding, - Deurne was bevrijd op 23 september 1944 -
pas gehouden was op 20 november. Volgens hem had die
vergadering één dag na de bevrijding van Deurne al
moeten plaatsvinden. "Neen, Burgemeester, steeds hebt U
mij behandeld als een kettinghond. Het spijt me het U te
moeten zeggen, Uw dictatoriaal optreden moet ik ten
zeerste laken." Wijnen voegde er nog aan toe dat door
het G.E.B. werkzaamheden waren verricht tijdens de
bezetting tegen steekpenningen. Hem was bekend dat deze
bestaan hadden uit 20 eieren, een pond boter, en andere
goederen. Hij had "zwart op wit" dat er door het G.E.B.
volop handel gedreven was in artikelen zoals motoren,
pannen, komforen en fornuizen. "Het is een schande dat
fornuizen de deur uit zijn gegaan, waarvoor 10 pond
boter werd gegeven." Ook zwarthandelaren werden geholpen
volgens Wijnen en op de zolder van het gemeentehuis was
volgens hem tijdens de bezetting zelfs een olieperserij.
Burgemeester Lambooy op zijn beurt verweet Wijnen dat
deze tijdens de bezetting deze klachten nooit had geuit.
"Onder moeilijke omstandigheden heb ik moeten handelen,
doch toen hebt U steeds gezwegen". "Had U toen bezwaren,
dan was het Uw plicht als wethouder geweest om die toen
te uiten."
Door het personeel van het G.E.B. was volgens Lambooy
nooit en te nimmer om goederen gevraagd. Wel was het
voorgekomen, dat mensen uit erkentelijkheid en
dankbaarheid iets hadden gegeven.
Toen Wijnen weer aan het woord was zei hij, dat de lonen
bij het gemeentelijk veenbedrijf tijdens de
bezetting te laag geweest waren; 38 cent tegen 45 cent
in het vrije bedrijf en "dat de heer Kortooms steeds
bezwaren maakte om de lonen te verhogen, daar
het bedrijf verhoging niet kon dragen". (Kortooms was directeur van het
gemeentelijk veenbedrijf en vader van de schrijver Toon
Kortooms.) "Het een en ander had tot gevolg, dat veel
arbeiders noodgedwongen wehrmachtswerken zijn gaan
verrichten om in het levensonderhoud van hun gezing te
kunnen voorzien".
Ook maakte Wijnen het verwijt aan burgemeester en
wethouders dat de Deurnesche Courant niet was
uitgenodigd om verslag te kunnen doen van de vergadering
van de gemeenteraad. Hij achtte dit zelfs in strijd met
de grondwet. Toen raadslid Hartjens aan Wijnen vroeg
waarom hij hij was heengegaan als wethouder tijdens de
bezetting, toen het hem blijkbaar niet zinde zei Wijnen:
"Ik ben van plan geweest om heen te gaan, doch heb zulks
niet gedaan, omdat ik vreesde, dat dan een Nazi in mijn
plaats zou komen". Burgemeester Lambooy: "Zeer juist,
meneer Wijnen. Daarom ben ik gebleven, totdat ik het
niet meer met mijn geweten kon verantwoorden. Tijdens de
laatste vordering van arbeidskrachten voor
vliegveldarbeid lag ik met hersenschudding, doch werd
niet gewaarschuwd. De secretaris kwam wel om met mij
overleg te plegen". Raadslid Hartjens vroeg Wijnen
waarom deze zich nog verkiesbaar had gesteld als
wethouder onder "zo'n" burgemeester. De burgemeester was
volgens hem toch gezuiverd door een ingestelde kommissie
en als goed vaderlander aangemerkt. Wijnen: "Dit hebt U
gelezen in een Nat. Soc. blad. Trouwens aan de
commissie, die gezuiverd heeft, hecht ik evenmin waarde
als aan het Militair Gezag. De maatschappij is totaal
ontwricht. Minister Schermerhorn heeft onlangs zelf in
een radiorede moeten toegeven, dat hem bekend was
geworden, dat onder de leden van het Militair Gezag
personen voorkwamen, die beter in een interneringskamp
hadden thuisgehoord".
|