|
De
Peel 9
|
|
|
|
 |
|
Op
de voorgrond links: Peer de Corte, rechts: Jan
Bungeners, met wie hij vele jaren bevriend was.
Hier met een glas wijn bij het huwelijk van een
dochter van Peer. |
|
Peer de Corte in de gemeenteraad van Helmond
In 1931 wordt Peer de Corte, samen met Frans van Bommel
en Jan Bungeners, door de Helmondse kiezers in de raad
gestemd, maar al drie jaar later, in 1934, stapt hij uit
ongenoegen en teleurstelling op en legt op het einde van
een raadsvergadering de volgende verklaring af:
"Mijnheer de Voorzitter. Als ik hier, wellicht voor de
laatste maal, het woord gevraagd heb, dan is dat om een
verklaring af te leggen welke de Gemeenteraad direct
raakt.
Het is nu bijna drie jaar geleden dat ik als
afgevaardigde van den S.D.A.P. tot lid van den Raad werd
gekozen.
Ik was er toen stellig van overtuigd, dat mijn
opvattingen inzake socialisme dezelfde waren als die,
welke sedert jaar en dag, op papier en in redevoeringen,
door de S.D.A.P. werden voorgestaan: de geestelijke en
stoffelijke
verheffing van de arbeidersklasse. In de katholieke
beweging, waaruit ik ben voortgekomen, had ik al reeds
de treurige ervaring opgedaan, dat theorie en practijk
lang niet hetzelfde waren, zelfs zeer dikwijls, bijna
altijd, met elkaar in botsing kwamen. Met weerzin moest
ik telkens en telkens weer ondervinden, dat de moraal
van de geldzak de hoogste wijsheid was en nog is. Zeker,
op papier was ook daar alles in orde, het "Bemin uwen
evennaaste" klinkt mooi, de harde werkelijkheid echter
was en is het toonbeeld van overdadige weelde aan de
eene, en de meest gruwelijke armoede aan den anderen
kant.
Dat alles was voor mij reden genoeg die beweging te
verlaten en aansluiting te zoeken bij een partij, waar
die tegenstelling van armoede en weelde, in beginsel,
niet aanwezig was. Een partij van den arbeid dus.
Naar ik meende was dat de S.D.A.P. Grooter
teleurstelling is mij echter mijn leven lang niet
overkomen. Ook daar blijkt alles te zijn, papier en nog
eens papier. Onderlinge solidariteit, vrijheid,
gelijkheid en broederschap, zijn daar evenzoovele
frasen, waarmee de goegemeente beschoolmeesterd of
gevleid wordt, al naar gelang de omstandigheden dat
vereischen, terwijl een complete recherchedienst, dag
neven dag in touw is, om aan de hoogere bevelvoerders
verslag uit te brengen van de gedragingen van zoogenaamd
verkeerd willende elementen. Onderlinge naijver en
afgunst, ja afgunst vooral, vieren in de Sociaal
Democratische Arbeiders Partij van vandaag hoogtij. De
zoogenaamde vrijgestelden, oftewel baantjesgasten,
hebben beslag gelegd op de partij van den arbeid. Deze
nieuwe heeren, voor wie al sedert lang de sociale
kwestie opgelost is, hebben maar een belang, het
baantje.
Dat is dat ook de oorzaak, dat de S.D.A.P. niet
probeert, de arbeiders op te voeden tot menschen met
verantwoordelijkheidsgevoel, zonder welke een betere
maatschappij niet bestaanbaar is. De baantjesgasten
hebben alleen belang, bij een zoo groot mogelijk aantal
leden. Betalende! Wie het op vandaag nog wagen durft bij
de heeren op verzet aan te dringen, anders dan op
papier, tegen de uitbuiting en ellende der arbeiders,
welke grooter is dan ooit tevoren, kan er van op aan,
dat hem het leven binnen de partij onmogelijk wordt
gemaakt.
Mijnheer de voorzitter. Het is voor mij een pijnlijke
geschiedenis. Ik heb hier in de drie jaren van mijn
lidmaatschap van den Raad, de zaak voor de arbeiders,
die mij afvaardigden, naar eer en geweten verdedigd,
zooals ik die als socialist meende te zien.
Het lust mij echter niet nog langer lid te blijven van
de S.D.A.P. wijl er in die partij en van socialisme en
van democratie geen sprake meer is. Het spreekt vanzelf
dat ik mijn zetel ter beschikking stel van de partij,
die mij candideerde, zoodat ik na deze zitting geen deel
van den Raad meer zal uitmaken.
………………………………..
Al zou ik mijn zetel blijven bezetten; niemand zou mij
(het aantal partij-leden kennende) een zeteldief kunnen
noemen: teneinde echter allen schijn van persoonlijke
ambitie te vermijden, zal ik heengaan.
………………………
Mijnheer de Voorzitter. Als ik mijn bedanken als lid van
den Gemeenteraad motiveerde, dan heb ik dat gedaan,
omdat ik meende daartoe tegenover de kiezers verplicht
te zijn en tevens om alle verdere onnoodige vragen te
vermijden. Hiermee wil ik tevens afscheid nemen van den
Raad en wensch hem alle goeds."
Opposant Willem Wijnen uit Deurne bleef door de jaren
heen opkomen voor de peelwerkers. Toen in de
raadsvergadering van de Deurnese gemeenteraad op 17
januari 1946 door het college van burgemeester en
wethouders werd voorgesteld om directeur Kortooms
van het gemeentelijk veenbedrijf eervol ontslag te
verlenen, maakte Wijnen bezwaar. Hij wenste aan te
tekenen, dat hem dit ontslag op de meest oneervolle
wijze verleend diende te worden "daar de heer Kortooms,
tijdens de bezetting de lonen zo laag gehouden heeft,
dat de arbeiders wel genoodzaakt waren voor de Wehrmacht
te werken of naar Duitsland te gaan".