Tij Kools Archief

  Copyright & E-mail: tijkools@versatel.nl
____________________________________________________________________________________________________
 

Deurnese Peel 2

 

 

 

 

De ecologische betekenis van de
hoogveenrestanten van het Peelgebied
door Willem Iven

 

"Het is echter niet aan ons alle getijden van de wereld te beheersen, maar om alles te doen wat in ons vermogen ligt voor de redding  van de jaren waarin wij leven, het kwaad in de velden die wij kennen uitroeiend, zodat zij die na ons komen een schone aarde hebben...."
 

Dit zei Gandalf, de Grijze Pelgrim, op 16 maart 3019 (Gouwtelling 1419) van de derde Era van Midden-Aarde tijdens de laatste beraadslaging van de aanvallers, negen dagen vr de vernietiging van de Ring en de val van Barad-Dr.

 

Het ontstaan van de Peel, zoals die zich nu aan ons voordoet, begon lang geleden, toen als gevolg van zgn. tektonische bewegingen, grote spanningen in het binnenste der aarde, verschuivingen in de aardkorst plaats hadden: het gebied dat nu Peel heet werd opgeheven,  gebieden ten  westen  en  ten  oosten  daarvan werden lager.  Zo  ontstonden

 resp. de Peelhorst, de Centrale Slenk en de Slenk van Venlo, terwijl de bedding van de Maas naar het oosten moest opschuiven en met een wijde boog om het hoger geworden Peelgebied heen moest gaan stromen en elders de Ardennen en het Noordzeebekken werden gevormd.

In de laatste IJstijd werden zanden uit de Centrale Slenk door de wind tegen de westelijke Peelrand aangeblazen. In een latere vochtiger periode begon op de hoge Peelvlakten in meertjes de vorming van veen. Door de samenstelling van de plantenresten, die het onderste meerbodemveen vormden, weten we dat die meertjes aanvankelijk gevuld waren met min of meer voedselrijk water.
Naarmate de meertjes dichtgroeiden werd het milieu steeds voedselarmer. De voedingsstoffen werden door de planten verbruikt en door de hoge ligging was geen toevoer mogelijk van voedselrijk water van elders. Zo volgden elkaar veenvormende begroeiingen op riet en lisdodden; elzen; zeggen en waterdrieblad; riet en berken; Scheuchzeria, tot tenslotte alleen nog planten konden optreden, die bij zeer voedselarme omstandigheden zijn aangepast.

De dikste lagen veen zijn gegroeid uit veenmossen, weinig complexe plantensoorten, die het voor hun leven noodzakelijke vocht (regenwater) zelf kunnen vasthouden en die door afscheiding van waterstof-ionen zelfs de zuurgraad van hun omgeving enigszins kunnen regelen. De overweldigende veenmosgroei begon vanuit de eenmaal dichtgegroeide meertjes, breidde zich uit, steeds verder van de oorspronkelijke  meeroevers vandaan en de veenlagen werden langzaamaan hoger, maar dijden ook uit in horizontale richting, waardoor op de huidige provinciegrens een uitgestrekt boven de omgeving ervan gelegen soppig veenmoeras ontstond.

We vinden de groeigeschiedenis van de Peel als bladzijden van een boek boven op elkaar liggen in lagen veen van plantenresten van steeds voedselarmer samenstelling; de eerste bladzijde van dit boek ligt onderaan. Vooral de laatste bladzijden (de spannendste!) zijn verscheurd, verfrommeld, vertrapt, kapotgetrokken en verbrand in kachels en in grote openluchtvuren.

De vroegere natte Peel was gekenmerkt door vochtige onbegaanbaarheid en ontoegankelijkheid, door een ongekende rust en - door het nagenoeg ontbreken van boomgroei - door ruimte. Niet voor niets ligt de grens tussen twee provincies - vroeger twee landen - juist midden op dat Peelmoeras. Aan beide kanten ervan leefden en leven nog van elkaar verschillende mensen met verschillende taal, leefgewoonten, kleding, gebruiken, werkmethoden. Alleen aan de randen drong de middeleeuwse mens binnen. Vanuit de lager gelegen (maar drogere) dekzandgronden, waar hij woonde, ontwaterde hij kleine stukken Peelmoeras voor de zer intensieve winning van brandstof (klot) en - bij voldoende drooglegging -  voor het verbouwen van het riskante gewas boekweit (brandkultuur). De Dolle of Ronde Kuilen ten oosten van Liessel, niet ver van de oorspronkelijk Peelrand, zijn wellicht de laatste laatmiddeleeuwse boerenklotwinningen, die bewaard zijn gebleven. Ze zijn in de zestiger jaren grotendeels door de fa. Valstar vergraven, terwijl veel eerder grote oppervlakten ervan in handkracht zijn verveend. Het kleine restant geniet thans binnen het CRM-reservaat "De Deurnese Peel" (sinds 1968) enige bescherming.

Nog maar nauwelijks honderd jaar geleden kwam er verandering met de komst van de ambitieuze gebroeders van der Griendt, die in 1853 op grote schaal begonnen met de oogst van brandstof uit water, het goud van de Peel. De Peel veranderde in korte tijd, werd onrustig en kleiner. Kanalen werden gegraven, dorpen gesticht, wegen aangelegd. In het hart van de Peel werden tuinderijen begonnen. Nergens is nu nog een klein plekje met de oorspronkelijke toestand te vinden. De huidige Peelrestanten op Brabants gebied: Astense Peel,  Het  Zinkske,  de Heitrakse Peel,  de  Bult  en  de  grootste mop de  Liesselse Peel en de

Twee keer de Mariapeel

Helenapeel, waartussen het kanaal van Deurne ligt, zijn alle geschonden, verdroogd, verlaagd en verrommeld, gescheiden door wegen en cultuurland. Nog slechts hier en daar is - weliswaar verdroogd - de oorspronkelijke opeenvolging van bodemlagen aan de treffen.

En wat betekent die geschonden Peel nu nog in ecologisch (of milieukundig) opzicht?
Het aantal in de Peel voorkomende soorten lijkt gering. Ogenschijnlijk doen de Peelrestanden zich dan ook voor als grote eentonige vlakten van 'peepespiere'
 

Pijpestrootje

 (pijpestrootjes), van overal opdringend berkenbos (verdrogingsverschijnsel), en hier en daar vlakken bruine hei en met moerasbegroeiingen gevulde laagten. Maar dit wat grof geschetste begroeiingspatroon herbergt nog steeds een hoge ecologische waarde, die is gelegen in het feit dat deze Peelrestanten zo voedselarm zijn. Oligotrofe (voedselarme) terreinen, in een zeer langdurig proces van alsmaar afvoeren of opgebruiken van planten- voedsel. We kunnen dit sooet milieus niet namaken. We kunnen ze alleen maar bewaren. En dat is ongelooflijk moeilijk.    Juist onze voedselarme natuurterreinen  en- terreintjes kunnen zo

Machinale afgraving van veen in de Deurnese Peel (1974)

 gemakkelijk vernield worden door vervuiling, doorsnijding en verrommeling. Ze worden dan ook alsmaar zeldzamer.   Ze veranderen heel gemakkelijk van karakter door toestroming van

Vuilstortplaats van de gemeente Deurne in de Peel (1974)

 voedselrijk (mest- of riool-) water, door vuilstort, door betreding; door verdroging kunnen afbraakprocessen en kunnen haast onblusbare branden het langzaam opgebouwde goed verteren.

In de reeks oligotrofe terreinen is het behouden van veengebieden beslist niet het allermoeilijkst. Deze gebieden hebben een bijzonder grote inwendige stabiliteit; het veen zelf vormt een barrire tegen indringend water van verkeerde samenstelling. Maar we moeten dan wel het veen in zijn oorspronkelijk opgebouwde staat houden en het zeker niet afvoeren.

Wanneer we aan natuurbehoud doen, moeten we allereerst de oligotrofe gebieden bewaren en vrijwaren van de toevoer van stoffen. Want juist in de - niet kunstmatig na te maken - gebieden leven een aantal zeer gevoelige en gemakkelijk kwetsbare (ge moogt ook zeggen: veeleisende) soorten, die als alle soorten een rol spelen in de zeer complexe processen die binnen een hoogst ingewikkeld ecologisch uitwisselingsprogram (dat we nog maar amper beginnen te kennen en begrijpen) worden uitgevoerd. Het is misschien wel illustratief, wanneer een aantal soorten worden genoemd.

Binnen de eentonige savanne van heide en pijpestrootje met veenpluis en de even saaie jonge  berkenbossen  kunnen  toch  tientallen vegetatietypen worden onderscheiden.   Met

Mossgroei na een Peelbrand

 name leven daarin een opmerkelijk groot aantal lichenen (korstmossen); een aantal daarvan leeft bij voorkeur op veengrond, die herhaaldelijk wordt afgebrand.
De bestaande voedselarmoede wordt het best bewezen door vrij veel soorten
veenmossen, (waarbij de eigenlijke hoogveenvormen praktisch ontbreken), door lavendelheide en veenbes (twee  hier  zeldzame  soorten  uit  de  heidekruidfamilie) in oude en met rust gelaten jongere

Eenarig wollegras

veenkuilen, en door twee wollegras soorten eenarig wollegras (dat in pollen groeit) en veenpluis. In de Heitrakse Peel vormt het eenarig wollegras samen met struikheide een vegetatietype dat als "veenheide" werd gekenschetst. Verder vele soorten
Klokjesgentiaan Wilgenroosje

 bladmossen en levermossen, de geheimzinnige moeraswolfsklauw en plaatselijk klokjesgentiaan, op   min   of  meer   kale  plekken  de  " wrede "  vleesetende  plantjes  rondbladige  en  kleine  
 

Klein blaasjeskruid uit de Deurnese Peel

 zonnedauw en in het water hier en daar klein blaasjeskruid, dat o.a. van waterbeestjes leeft.

Op n plaats nabij het kanaal van Deurne groeien merkwaardige vegetaties met brunel, moeraswespenorchis, welriekende nachtorchis, gevlekte orchis en addertong (een bijzonder varentje). Enkele jaren terug werd daar ook ruig klokje gevonden. Maar deze soorten zijn in zoverre niet 'Peel-echt', omdat ze verschenen nadat bij een boring naar steenkool spoelwater met leem en kalkhoudende stoffen ter plaatse over de bestaande reeds voor een deel afgegraven veenlaag zijn terecht gekomen. Dit terrein is thans min of meer beschermd (CRM-reservaat).
Vooral in de Heitrakse Peel komt opmerkelijk veel
kruipwilg voor. Op afgeveende zandige stukken vinden we havikskruiden, kruipend struisgras en gewoon struisgras, borstelgras, hennegras, pilzegge, hazezegge, stekelbrem, plaatselijk bezembrem of gewone brem, vogelpootje, trekrus en tengere rus, gewone veldbies, schapezuring.
Op een zo'n zandige plek in de Helenapeel vonden we enkele jaren geleden de zeldzame Hieracium piloselloides, een havikskruid zonder nadere Nederlandse naam. Ergens in de Liesselse Peel groeit duizendguldenkruid; waarschijnlijk is dit de enige groeiplaats in het hele Peelgebied.

In feite onechte Peelsoorten groeien in de Peelkanalen. In ecologisch opzicht zijn ze hoogst interessant omdat ze groeien in eutrofe (voedselrijke) kunstmatige milieus, temidden van en direct grenzend aan super-voedselarme milieus, die daarvan veilig gescheiden zijn. Hie zijn er een aantal: kalmoes, de eetbare witte waterkers (in massa in het kanaal van Deurne, de soort komt verder alleen voor in zuivere beken, in moerassen in de duinen, in het rivierengebied en in Zuid-Limburg), watermunt, waterweegbree, waterlelie, gele plomp, pijlkruid, stijve egelskop, gele lis en hier en daar de slanke zwanebloem. Op kwelplekken, waar eutroof kanaalwater door de kanaalwand een eindje het aangrenzend lager gelegen afgegraven veenterrein binnendrinlkt, vinden we hier en daar mesotrafente soorten van matig voedselarme overgangsmilieus als melkeppe, blauwe knoop, blauwe en afgekorte zegge, wateraardbei, leverkruid en zelfs boskartelblad en gevlekte orchis; op een dergelijke plek vonden we het zeer zeldzame klein glidkruid.
Een echte storingsplant, die optreed als gevolg van verstoringen in het milieu, is
pitrus, die helaas al te veel voorkomt. Merkwaardig is het plaatselijk overdadig optreden van adelaarsvaren, een soort van eeuwenlang ongestoorde bosmilieus, die hier juist verschijnt op depots van verplaatste veengrond. Op brandplekken verschijnt steeds gewoon haarmos en wat later geoorde en grauwe wilg.
In de al wat oudere berkenbossen komen al
zomereik en ratelpopulier voor, maar ook lijsterbes en vuilboom, naast uiteraard beide soorten berken, zachte en ruwe berk. In deze bossen handhaven zich nog lange tijd fragmenten van de oorspronkelijke veenvegetaties. Van de ontwikkeling naar een stabiel karakteristiek veenbostype is nog geen sprake.

Andere opmerkelijke soorten zijn rode bosbes (vossebes) tormentil, wijfjesvaren, stekelvaren, smalbladige en breedbladige lisdodde, wilgenroosje. Hier en daar verschijnen verwilderde exemplaren van de blauwe bes, een soort uit Noord-Amerika, die in Helenaveen wordt gekweekt.

In de paddestoelenflora heb ik onvoldoende inzicht. Volgens mededeling van mycologen moet de mycologische waarde van het Peelgebied zeer hoog worden aangeslagen, juist doordat het een oligotroof hoogveenmilieu betreft.

En dan nu nog was over de beestjes. Na een inventarisatie -werk- kamp van het toenmalige Rijksinstituut voor Veldbiologisch Onderzoek ten behoeve van het Natuurbehoud (RIVON) in 1963 werd de faunistische rijkdom van de Peelrestanten als 'verbluffend groot' gekenschetst.

Het insectenleven is zeer rijk. Dit vindt zijn oorzaak in de betreffelijke zuiverheid van de milieus en in de rijkdom aan plantensoorten, vooral op de milieugrenzen. Mijn vriend Win Boer Leffef, entomoloog van naam, vindt de Peel het belangrijkste nachtvlindergebied van ons land, met zeldzame soorten als bijv. avondrood.

Maar ook het aantal dagvlindersoorten is groot. Hieronder zijn vooral veel blauwtjes.
Het woeste(!) Peelgebied herbert tientallen soorten
libellen, waaronder zeer zeldzame; sommigen van die soorten komen talrijk voor. In de Liesselse Peel komen 30% van de in Nederland voorkomende libellensoorten voor; dit terrein is daarmee een der rijkste libellen- gebieden van ons land. Hier werd o.a. de zeer zeldzame libel Somatochlora arcitca aange- troffen, een soort, die van maar vijf andere plaatsen in Nederland bekend is; deze soort is gebonden aan hoogvenen.
Muggen komen in grote aantallen en veel soorten (w.o. zeldzame) voor, evenals vliegen (w.o.) veel steekvliegen en dazen, bijen, wespen, hommels en mieren. Ook het sortiment kevers is groot.
Vogels. Er zijn heel gewone soorten als
fitis (honderden), boompieper, geelgors, rietgors, grasmus, veldleeuwerik, winterkoning. Wat minder talrijk zijn: groene specht, grote bonte specht, graspieper, grote lijster, zanglijster, merel, roodborsttapuit, paapje, gekraagde roodstaart, koolmees, pimpelmees, matkop, staartmees, ekster, gaai, zwarte kraai.
Van de kwetsbare, gevoelige soorten zijn te noemen:
korhoen, tapuit, (broedde vroeger voorval in klothopen), zwarte stern, wulp, bruine kiekendief, ijsvogel, (Peelkanalen) en watersnip. Allemaal soorten, die zeer op rust en ruimte zijn gesteld. Rond Helenaveen zou de grauwe klauwier nog voorkomen (laatste broedplaats van Noord Brabant).

De prachtige kraanvogels, die op de najaarstrek en soms ook op de terugtrek in het voorjaar de Peel aandoen, hebben op de trekroute behoefte aan rustige ruime pleistergebieden, die vooral van belang zijn tijdens mist en regen. Als pleistergebied is de Peel trouwens ook van levensbelang voor allerlei steltlopers en weidevogels: kievit, bosruiter, zwarte ruiter, kemphaan, watersnip, oeverloper. En ook voor grauwe en blauwe kiekendief, allerlei eend-achtigen, rietganzen en grauwe ganzen. De blauwborst, een niet zo algemeen moerasvogeltje is juist voor de Peel kenmerkend voor vochtige terreingedeelten met grauwe en geoorde wilgen.

Tot voor kort had het Peelgebied bij de ornithologen grote naam als broedgebied van de hop. Ook broeden van de superzeldzame klapekster werd al jaren lang niet meer vastgesteld. Beide soorten, hop en klapekster, wensen ruime gebieden, waar voldoende rust heerst.

Boomvalk, havik, sperwer, houtsnip, kleine bonte specht, draaihals zijn soorten, die wel eens worden waargenomen.

De meeste zoogdiersoorten als ree, haas, konijn, vos, vele soorten muizen (spits-, woel- en ware), bruine rat en bisamrat of muskusrat komen ook elders wel voor, evenals de roofdiertjes wezel, hermelijn en bunzing. Reen zijn in de Peel beslist niet zeldzaam. En de peelhazen zijn groter dan waar ook; volgens de peelmensen dan.
Het talrijk voorkomen van de mooie
dwergmuisjes is opvallend. Een heel zeldzaam zoogdier, de otter, wordt af en toe nog wel eens in de Peel bespeurd.

De ruige Peelgebieden zijn rijk aan amfibien en reptielen: groene kikker (in en nabij de kanalen), bruine kikker, en de zeldzame heidekikker, gewone pad en rugstreeppad, alpenwatersalamander en kleine watersalamander, gladde slang, hazelworm en- zeer talrijk- levendbarende of kleine hagedis. De boomkikker wordt al lang niet meer waargenomen.

Deze vermelding van in de Peelgebieden van Deurne voorkomende soorten is lang niet volledig. Het bovenstaande is maar een greep, voldoende voor een korte kenschets, een eerste kennismaking; slechts de belangrijkste en de meest opvallende soorten zijn genoemd. Het geven van een volledige opsomming zou te eentonig worden, bovendien zou ik het niet kunnen. Het mocht trouwens niet te lang worden van van de werkgroep.

Veel soorten die in de Peel wonen, zijn bij de wet beschermd (Vogelwet en Besluit beschermde plantesoorten, Besluit beschermde inheemse diersoorten). De Peelgebieden zelf zijn trouwens eveneens enigszins beschermd; de Deurnese Peelrestanten werden onder  no 152 opgenomen in de lijst van natuurgebieden van Noord-Brabant, waarvoor de zgn. meldingsplicht gold; deze lijst werd afgekondigd in de Nederlandse Staatscourant van 5 augustus 1968.
Krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening zouden deze gebieden vr 1 augustus 1970 een degelijke wettelijke bescherming moeten verkrijgen in gemeentelijke bestemmingsplannen voor natuurgebieden. De raad van Deurne heeft een dergelijk bestemmingsplan vastgesteld op 20 juni 1972 voor de Helenapeel en de Liesselse Peel. In de omschrijving voor de meldingsplichtgebieden werden Helenapeel en Liesselse Peel aangegeven als "natuurwetenschappelijk en landschappelijk uiterst belangwekkende hoogveenrestanten". In het streekplan voor Natuurschoon- en Recreatiegebieden in Noord-Brabant zijn Helenapeel en Liesselse Peel, Heitrakse Peel en Peel 't Zinkske gerangschikt als Natuurschoon en Recreatiegebied I; en de veenrestanten De Bult als Natuurschoon en recreatiegebied III; in de klasse N en RI is ook een deel van de land en tuinbouw enclaves tussen Helenaveen en Griendtsveen begrepen.

De Peelrestanten van Deurne geven een nog vrij volledig beeld van het oorspronkelijke Peellandschap. De Peel is het zuidelijkste in de laagvlakten gelegen hoogveengebied van Europa. Door het bizondere planten-geografische karakter ervan is de Peel in biologisch en botanisch-geografisch opzicht bizonder waardevol. De term 'uniek', die wel eens al te gemakkelijk wordt gebruikt, wanneer voor bedreigde natuurgebieden bescherming gevraagd wordt, is daardoor hier zeer zeker op zijn plaats.

Steeds wil de natuur herstellen wat door afgraving, verrotzooiing, brand en ontwatering verloren ging. Binnen de ecologische systemen van de Peelresten schuilen enorme reparatiekrachten. Tot op zekere hoogte zijn deze toereikend. Wanneer echter het eigen oligotrofe karakter verloren gaat of de basis van de Peelmilieus, het veen, geheel wordt afgegraven en wordt afgevoerd, falen de herstelprocessen en raken we de milieus van belangrijke soorten kwijt; en daarmee dus deze soorten ook. De Peel is dan zeichzelf niet meer.

Het is de hoogste tijd krachten te bundelen en de natuur met een hulpleger tegemoet te komen om kostbare milieuonderdelen te ontzetten, te bevrijden, te redden van de

Vuilstortplaatsen van de gemeente Deurne in natuurgebied de Peel

ondergang. Hoe? Dozonnedauw door het terugdrijven van de vuilstorters, afgravers, afvoerders, verdrogers, jagers; door het nemen van maatregelen (vooral aan de randen); door het opstellen van een degelijk beheersplan en het uitvoeren van doelgerichte en welomschreven beheersmaatregelen met als doel: bewaren van tenminste de huidige waarde, maar liever nog herstellen, restaureren naar een rijkere toestand.
In ons eigen belang. Want wanneer natuurlijke reparatieprocessen onmogelijk worden, zullen wij mensen er ook niet lang meer zijn, hoeveel champignons we ook gegeten mochten hebben.

Ik wil niet het laatste woord hebben. Daarom citeer ik Theo Reijnders, botanisch medewerker van het Rijksinstituut voor natuurbeheer:

"In ecologisch opzicht is de Peel boeiend vanwege de talloze voorbeelden van onderling min of meer vergelijkbare dan wel juist verschillende milieuomstandigheden. Het eigen karakter van de vroegere en huidige Peelvenen moet nog nader worden vastgesteld en worden vergeleken met de geografische differentiatie in de Europese hoogvenen." (Zie "Levende Natuur"1967)

 

 

 

 

 

 
   

 

 

Terug naar begin Terug naar index Tij Kools Archief