|
Het ontstaan van de
Peel, zoals die zich nu aan ons voordoet, begon lang
geleden, toen als gevolg van zgn. tektonische
bewegingen, grote spanningen in het binnenste der aarde,
verschuivingen in de aardkorst plaats hadden: het gebied
dat nu Peel heet werd opgeheven, gebieden ten
westen en ten oosten daarvan
werden lager. Zo ontstonden
resp. de
Peelhorst, de Centrale Slenk en de Slenk van Venlo,
terwijl de bedding van de Maas naar het oosten moest
opschuiven en met een wijde boog om het hoger geworden
Peelgebied heen moest gaan stromen en elders de Ardennen
en het Noordzeebekken werden gevormd.
In de laatste
IJstijd werden zanden uit de Centrale Slenk door de wind
tegen de westelijke Peelrand aangeblazen. In een latere
vochtiger periode begon op de hoge Peelvlakten in
meertjes de vorming van veen. Door de samenstelling van
de plantenresten, die het onderste meerbodemveen
vormden, weten we dat die meertjes aanvankelijk gevuld
waren met min of meer voedselrijk water.
Naarmate de meertjes dichtgroeiden werd het milieu
steeds voedselarmer. De voedingsstoffen werden door de
planten verbruikt en door de hoge ligging was geen
toevoer mogelijk van voedselrijk water van elders. Zo
volgden elkaar veenvormende begroeiingen op riet en
lisdodden; elzen; zeggen en waterdrieblad; riet en
berken; Scheuchzeria, tot tenslotte alleen nog planten
konden optreden, die bij zeer voedselarme omstandigheden
zijn aangepast.
De dikste lagen
veen zijn gegroeid uit veenmossen, weinig complexe
plantensoorten, die het voor hun leven noodzakelijke
vocht (regenwater) zelf kunnen vasthouden en die door
afscheiding van waterstof-ionen zelfs de zuurgraad van
hun omgeving enigszins kunnen regelen. De overweldigende
veenmosgroei begon vanuit de eenmaal dichtgegroeide
meertjes, breidde zich uit, steeds verder van de
oorspronkelijke meeroevers vandaan en de veenlagen
werden langzaamaan hoger, maar dijden ook uit in
horizontale richting, waardoor op de huidige
provinciegrens een uitgestrekt boven de omgeving ervan
gelegen soppig veenmoeras ontstond.
We vinden de
groeigeschiedenis van de Peel als bladzijden van een
boek boven op elkaar liggen in lagen veen van
plantenresten van steeds voedselarmer samenstelling; de
eerste bladzijde van dit boek ligt onderaan. Vooral de
laatste bladzijden (de spannendste!) zijn verscheurd,
verfrommeld, vertrapt, kapotgetrokken en verbrand in
kachels en in grote openluchtvuren.
De vroegere natte
Peel was gekenmerkt door vochtige onbegaanbaarheid en
ontoegankelijkheid, door een ongekende rust en - door
het nagenoeg ontbreken van boomgroei - door ruimte. Niet
voor niets ligt de grens tussen twee provincies -
vroeger twee landen - juist midden op dat Peelmoeras.
Aan beide kanten ervan leefden en leven nog van elkaar
verschillende mensen met verschillende taal,
leefgewoonten, kleding, gebruiken, werkmethoden. Alleen
aan de randen drong de middeleeuwse mens binnen. Vanuit
de lager gelegen (maar drogere) dekzandgronden, waar hij
woonde, ontwaterde hij kleine stukken Peelmoeras voor de
zer intensieve winning van brandstof (klot) en - bij
voldoende drooglegging - voor het verbouwen van
het riskante gewas boekweit (brandkultuur). De Dolle of
Ronde Kuilen ten oosten van Liessel, niet ver van de
oorspronkelijk Peelrand, zijn wellicht de laatste
laatmiddeleeuwse boerenklotwinningen, die bewaard zijn
gebleven. Ze zijn in de zestiger jaren grotendeels door
de fa. Valstar vergraven, terwijl veel eerder grote
oppervlakten ervan in handkracht zijn verveend. Het
kleine restant geniet thans binnen het CRM-reservaat "De
Deurnese Peel" (sinds 1968) enige bescherming.
Nog maar nauwelijks
honderd jaar geleden kwam er verandering met de komst
van de ambitieuze gebroeders van der Griendt, die in
1853 op grote schaal begonnen met de oogst van brandstof
uit water, het goud van de Peel. De Peel veranderde in
korte tijd, werd onrustig en kleiner. Kanalen werden
gegraven, dorpen gesticht, wegen aangelegd. In het hart
van de Peel werden tuinderijen begonnen. Nergens is nu
nog een klein plekje met de oorspronkelijke toestand te
vinden. De huidige Peelrestanten op Brabants gebied:
Astense Peel, Het Zinkske, de
Heitrakse Peel, de Bult en de
grootste mop de Liesselse Peel en de
Helenapeel,
waartussen het kanaal van Deurne ligt, zijn alle
geschonden, verdroogd, verlaagd en verrommeld,
gescheiden door wegen en cultuurland. Nog slechts hier
en daar is - weliswaar verdroogd - de oorspronkelijke
opeenvolging van bodemlagen aan de treffen.
En wat betekent die
geschonden Peel nu nog in ecologisch (of milieukundig)
opzicht?
Het aantal in de Peel voorkomende soorten lijkt gering.
Ogenschijnlijk doen de Peelrestanden zich dan ook voor
als grote eentonige vlakten van 'peepespiere'
(pijpestrootjes),
van overal opdringend berkenbos (verdrogingsverschijnsel),
en hier en daar vlakken bruine hei en met
moerasbegroeiingen gevulde laagten. Maar dit wat grof
geschetste begroeiingspatroon herbergt nog steeds een
hoge ecologische waarde, die is gelegen in het feit dat
deze Peelrestanten zo voedselarm zijn. Oligotrofe
(voedselarme) terreinen, in een zeer langdurig proces
van alsmaar afvoeren of opgebruiken van planten-
voedsel. We kunnen dit sooet milieus niet namaken. We
kunnen ze alleen maar bewaren. En dat is ongelooflijk
moeilijk. Juist onze voedselarme natuurterreinen
en- terreintjes kunnen zo
|
Machinale afgraving van veen in de Deurnese
Peel (1974) |
gemakkelijk vernield worden
door vervuiling, doorsnijding en verrommeling. Ze worden
dan ook alsmaar zeldzamer. Ze veranderen
heel gemakkelijk van karakter door toestroming van
 |
|
Vuilstortplaats van de gemeente Deurne in de
Peel (1974) |
voedselrijk
(mest- of riool-) water, door vuilstort, door betreding;
door verdroging kunnen afbraakprocessen en kunnen haast
onblusbare branden het langzaam opgebouwde goed
verteren.
In de reeks
oligotrofe terreinen is het behouden van veengebieden
beslist niet het allermoeilijkst. Deze gebieden hebben
een bijzonder grote inwendige stabiliteit; het veen zelf
vormt een barrière tegen indringend water van verkeerde
samenstelling. Maar we moeten dan wel het veen in zijn
oorspronkelijk opgebouwde staat houden en het zeker niet
afvoeren.
Wanneer we aan
natuurbehoud doen, moeten we allereerst de oligotrofe
gebieden bewaren en vrijwaren van de toevoer van
stoffen. Want juist in de - niet kunstmatig na te maken
- gebieden leven een aantal zeer gevoelige en
gemakkelijk kwetsbare (ge moogt ook zeggen: veeleisende)
soorten, die als alle soorten een rol spelen in de zeer
complexe processen die binnen een hoogst ingewikkeld
ecologisch uitwisselingsprogram (dat we nog maar amper
beginnen te kennen en begrijpen) worden uitgevoerd. Het
is misschien wel illustratief, wanneer een aantal
soorten worden genoemd.
Binnen de eentonige
savanne van heide en pijpestrootje met veenpluis en de
even saaie jonge berkenbossen kunnen toch tientallen
vegetatietypen worden onderscheiden. Met
 |
|
Mossgroei
na een Peelbrand |
name leven
daarin een opmerkelijk groot aantal lichenen
(korstmossen); een aantal daarvan leeft bij voorkeur op
veengrond, die herhaaldelijk wordt afgebrand.
De bestaande voedselarmoede wordt het best bewezen door
vrij veel soorten
veenmossen,
(waarbij de
eigenlijke hoogveenvormen praktisch ontbreken), door
lavendelheide en
veenbes (twee hier zeldzame soorten
uit de heidekruidfamilie) in oude
en met rust gelaten jongere
veenkuilen, en door twee wollegras soorten
eenarig wollegras
(dat in pollen groeit) en
veenpluis. In de Heitrakse Peel vormt het
eenarig wollegras
samen met
struikheide
een vegetatietype dat als "veenheide"
werd gekenschetst. Verder vele soorten
 |
 |
|
Klokjesgentiaan |
Wilgenroosje |
bladmossen
en
levermossen,
de geheimzinnige
moeraswolfsklauw
en plaatselijk
klokjesgentiaan, op min of meer kale plekken de " wrede " vleesetende plantjes
rondbladige
en
kleine
 |
|
Klein
blaasjeskruid uit de Deurnese Peel |
zonnedauw
en in het water hier en daar
klein blaasjeskruid, dat o.a. van waterbeestjes
leeft.
Op één plaats nabij
het kanaal van Deurne groeien merkwaardige vegetaties
met
brunel, moeraswespenorchis,
welriekende nachtorchis, gevlekte orchis
en addertong (een bijzonder varentje).
Enkele jaren terug werd daar ook ruig klokje
gevonden. Maar deze soorten zijn in zoverre niet 'Peel-echt',
omdat ze verschenen nadat bij een boring naar steenkool
spoelwater met leem en kalkhoudende stoffen ter plaatse
over de bestaande reeds voor een deel afgegraven
veenlaag zijn terecht gekomen. Dit terrein is thans min
of meer beschermd (CRM-reservaat).
Vooral in de Heitrakse Peel komt opmerkelijk veel
kruipwilg voor. Op afgeveende zandige stukken
vinden we
havikskruiden, kruipend
struisgras en
gewoon struisgras,
borstelgras, hennegras, pilzegge, hazezegge,
stekelbrem, plaatselijk
bezembrem
of
gewone brem, vogelpootje,
trekrus en
tengere rus, gewone veldbies, schapezuring.
Op een zo'n zandige plek in de Helenapeel vonden we
enkele jaren geleden de zeldzame
Hieracium
piloselloides, een havikskruid zonder nadere
Nederlandse naam. Ergens in de Liesselse Peel groeit
duizendguldenkruid; waarschijnlijk is dit de
enige groeiplaats in het hele Peelgebied.
In feite onechte
Peelsoorten groeien in de Peelkanalen. In ecologisch
opzicht zijn ze hoogst interessant omdat ze groeien in
eutrofe (voedselrijke) kunstmatige milieus, temidden van
en direct grenzend aan super-voedselarme milieus, die
daarvan veilig gescheiden zijn. Hie zijn er een aantal:
kalmoes, de eetbare
witte waterkers
(in massa in het kanaal van Deurne, de soort komt verder
alleen voor in zuivere beken, in moerassen in de duinen,
in het rivierengebied en in Zuid-Limburg),
watermunt,
waterweegbree, waterlelie, gele plomp, pijlkruid, stijve
egelskop,
gele lis
en hier en daar de
slanke zwanebloem.
Op kwelplekken, waar eutroof kanaalwater door de
kanaalwand een eindje het aangrenzend lager gelegen
afgegraven veenterrein binnendrinlkt, vinden we hier en
daar mesotrafente soorten van matig voedselarme
overgangsmilieus als
melkeppe, blauwe
knoop, blauwe
en
afgekorte zegge,
wateraardbei, leverkruid
en zelfs
boskartelblad
en
gevlekte orchis;
op een dergelijke plek vonden we het zeer zeldzame
klein
glidkruid.
Een echte storingsplant, die optreed als gevolg van
verstoringen in het milieu, is
pitrus,
die helaas al te veel voorkomt. Merkwaardig is het
plaatselijk overdadig optreden van
adelaarsvaren,
een soort van eeuwenlang ongestoorde bosmilieus, die
hier juist verschijnt op depots van verplaatste
veengrond. Op brandplekken verschijnt steeds
gewoon haarmos
en wat later geoorde en
grauwe wilg.
In de al wat oudere berkenbossen komen al
zomereik
en
ratelpopulier
voor, maar ook lijsterbes
en
vuilboom,
naast uiteraard beide soorten berken,
zachte
en
ruwe
berk. In
deze bossen handhaven zich nog lange tijd fragmenten van
de oorspronkelijke veenvegetaties. Van de ontwikkeling
naar een stabiel karakteristiek veenbostype is nog geen
sprake.
Andere opmerkelijke
soorten zijn
rode bosbes
(vossebes)
tormentil,
wijfjesvaren,
stekelvaren,
smalbladige
en
breedbladige lisdodde, wilgenroosje.
Hier en daar verschijnen verwilderde exemplaren van de
blauwe bes, een soort uit Noord-Amerika, die in
Helenaveen wordt gekweekt.
In de
paddestoelenflora heb ik onvoldoende inzicht. Volgens
mededeling van mycologen moet de mycologische waarde van
het Peelgebied zeer hoog worden aangeslagen, juist
doordat het een oligotroof hoogveenmilieu betreft.
En dan nu nog was
over de beestjes. Na een inventarisatie -werk- kamp van
het toenmalige Rijksinstituut voor Veldbiologisch
Onderzoek ten behoeve van het Natuurbehoud (RIVON) in
1963 werd de faunistische rijkdom van de Peelrestanten
als 'verbluffend groot' gekenschetst.
Het insectenleven
is zeer rijk. Dit vindt zijn oorzaak in de betreffelijke
zuiverheid van de milieus en in de rijkdom aan
plantensoorten, vooral op de milieugrenzen. Mijn vriend
Win Boer Leffef, entomoloog van naam, vindt de Peel het
belangrijkste nachtvlindergebied van ons land, met
zeldzame soorten als bijv.
avondrood.
Maar ook het aantal
dagvlindersoorten is groot. Hieronder zijn vooral veel
blauwtjes.
Het woeste(!) Peelgebied herbert tientallen soorten
libellen,
waaronder zeer zeldzame; sommigen van die soorten komen
talrijk voor. In de Liesselse Peel komen 30% van de in
Nederland voorkomende libellensoorten voor; dit terrein
is daarmee een der rijkste libellen- gebieden van ons
land. Hier werd o.a. de zeer zeldzame libel
Somatochlora
arcitca
aange- troffen, een soort, die van maar vijf andere
plaatsen in Nederland bekend is; deze soort is gebonden
aan hoogvenen.
Muggen
komen in grote aantallen en veel soorten (w.o. zeldzame)
voor, evenals
vliegen
(w.o.) veel
steekvliegen
en
dazen,
bijen,
wespen, hommels
en
mieren.
Ook het sortiment
kevers
is groot.
Vogels. Er zijn heel gewone soorten als fitis
(honderden),
boompieper,
geelgors, rietgors, grasmus, veldleeuwerik, winterkoning.
Wat minder talrijk zijn:
groene specht,
grote
bonte specht, graspieper, grote lijster, zanglijster,
merel, roodborsttapuit, paapje, gekraagde roodstaart,
koolmees, pimpelmees, matkop, staartmees, ekster, gaai,
zwarte kraai.
Van de kwetsbare, gevoelige soorten zijn te noemen:
korhoen,
tapuit,
(broedde vroeger voorval in klothopen),
zwarte stern,
wulp, bruine kiekendief, ijsvogel,
(Peelkanalen) en
watersnip.
Allemaal soorten, die zeer op rust en ruimte zijn
gesteld. Rond Helenaveen zou de
grauwe klauwier
nog voorkomen (laatste broedplaats van Noord Brabant).
De prachtige
kraanvogels,
die op de najaarstrek en soms ook op de terugtrek in het
voorjaar de Peel aandoen, hebben op de trekroute
behoefte aan rustige ruime pleistergebieden, die vooral
van belang zijn tijdens mist en regen. Als
pleistergebied is de Peel trouwens ook van levensbelang
voor allerlei steltlopers en weidevogels:
kievit, bosruiter,
zwarte ruiter, kemphaan, watersnip, oeverloper.
En ook voor
grauwe
en
blauwe
kiekendief,
allerlei
eend-achtigen,
rietganzen
en grauwe ganzen.
De
blauwborst,
een niet zo algemeen moerasvogeltje is juist voor de
Peel kenmerkend voor vochtige terreingedeelten met
grauwe en geoorde wilgen.
Tot voor kort had
het Peelgebied bij de ornithologen grote naam als
broedgebied van de
hop.
Ook broeden van de superzeldzame
klapekster
werd al jaren lang niet meer vastgesteld. Beide soorten,
hop en klapekster, wensen ruime gebieden, waar voldoende
rust heerst.
Boomvalk,
havik, sperwer, houtsnip, kleine bonte specht, draaihals
zijn soorten, die wel eens worden waargenomen.
De meeste
zoogdiersoorten als
ree, haas, konijn,
vos,
vele soorten muizen (spits-,
woel- en
ware),
bruine
rat en
bisamrat
of
muskusrat
komen ook elders wel voor, evenals de roofdiertjes
wezel,
hermelijn
en
bunzing.
Reeën zijn in de Peel beslist niet zeldzaam. En de
peelhazen zijn groter dan waar ook; volgens de
peelmensen dan.
Het talrijk voorkomen van de mooie
dwergmuisjes
is opvallend. Een heel zeldzaam zoogdier, de
otter,
wordt af en toe nog wel eens in de Peel bespeurd.
De ruige
Peelgebieden zijn rijk aan amfibieën en reptielen:
groene
kikker
(in en nabij de kanalen),
bruine kikker,
en de zeldzame
heidekikker,
gewone
pad en
rugstreeppad,
alpenwatersalamander
en
kleine watersalamander,
gladde
slang, hazelworm
en- zeer talrijk-
levendbarende
of
kleine hagedis.
De
boomkikker
wordt al lang niet meer waargenomen.
Deze vermelding van
in de Peelgebieden van Deurne voorkomende soorten is
lang niet volledig. Het bovenstaande is maar een greep,
voldoende voor een korte kenschets, een eerste
kennismaking; slechts de belangrijkste en de meest
opvallende soorten zijn genoemd. Het geven van een
volledige opsomming zou te eentonig worden, bovendien
zou ik het niet kunnen. Het mocht trouwens niet te lang
worden van van de werkgroep.
Veel soorten die in de Peel wonen, zijn bij de wet
beschermd (Vogelwet en Besluit beschermde plantesoorten,
Besluit beschermde inheemse diersoorten). De
Peelgebieden zelf zijn trouwens eveneens enigszins
beschermd; de Deurnese Peelrestanten werden onder
no 152 opgenomen in de lijst van natuurgebieden van
Noord-Brabant, waarvoor de zgn. meldingsplicht gold;
deze lijst werd afgekondigd in de Nederlandse
Staatscourant van 5 augustus 1968.
Krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening zouden deze
gebieden vóór 1 augustus 1970 een degelijke wettelijke
bescherming moeten verkrijgen in gemeentelijke
bestemmingsplannen voor natuurgebieden. De raad van
Deurne heeft een dergelijk bestemmingsplan vastgesteld
op 20 juni 1972 voor de Helenapeel en de Liesselse Peel.
In de omschrijving voor de meldingsplichtgebieden werden
Helenapeel en Liesselse Peel aangegeven als
"natuurwetenschappelijk en landschappelijk uiterst
belangwekkende hoogveenrestanten". In het streekplan
voor Natuurschoon- en Recreatiegebieden in Noord-Brabant
zijn Helenapeel en Liesselse Peel, Heitrakse Peel en
Peel 't Zinkske gerangschikt als Natuurschoon en
Recreatiegebied I; en de veenrestanten De Bult als
Natuurschoon en recreatiegebied III; in de klasse N en
RI is ook een deel van de land en tuinbouw enclaves
tussen Helenaveen en Griendtsveen begrepen.
De Peelrestanten
van Deurne geven een nog vrij volledig beeld van het
oorspronkelijke Peellandschap. De Peel is het
zuidelijkste in de laagvlakten gelegen hoogveengebied
van Europa. Door het bizondere planten-geografische
karakter ervan is de Peel in biologisch en
botanisch-geografisch opzicht bizonder waardevol. De
term 'uniek', die wel eens al te gemakkelijk wordt
gebruikt, wanneer voor bedreigde natuurgebieden
bescherming gevraagd wordt, is daardoor hier zeer zeker
op zijn plaats.
Steeds wil de
natuur herstellen wat door afgraving, verrotzooiing,
brand en ontwatering verloren ging. Binnen de
ecologische systemen van de Peelresten schuilen enorme
reparatiekrachten. Tot op zekere hoogte zijn deze
toereikend. Wanneer echter het eigen oligotrofe karakter
verloren gaat of de basis van de Peelmilieus, het veen,
geheel wordt afgegraven en wordt afgevoerd, falen de
herstelprocessen en raken we de milieus van belangrijke
soorten kwijt; en daarmee dus deze soorten ook. De Peel
is dan zeichzelf niet meer.
Het is de hoogste
tijd krachten te bundelen en de natuur met een hulpleger
tegemoet te komen om kostbare milieuonderdelen te
ontzetten, te bevrijden, te redden van de
 |
|
Vuilstortplaatsen van de gemeente Deurne in
natuurgebied de Peel |
ondergang. Hoe? Dozonnedauw
door het
terugdrijven van de vuilstorters, afgravers, afvoerders,
verdrogers, jagers; door het nemen van maatregelen
(vooral aan de randen); door het opstellen van een
degelijk beheersplan en het uitvoeren van doelgerichte
en welomschreven beheersmaatregelen met als doel:
bewaren van tenminste de huidige waarde, maar liever nog
herstellen, restaureren naar een rijkere toestand.
In ons eigen belang. Want wanneer natuurlijke
reparatieprocessen onmogelijk worden, zullen wij mensen
er ook niet lang meer zijn, hoeveel champignons we ook
gegeten mochten hebben.
Ik wil niet het
laatste woord hebben. Daarom citeer ik Theo Reijnders,
botanisch medewerker van het Rijksinstituut voor
natuurbeheer:
"In ecologisch opzicht is de Peel boeiend vanwege de
talloze voorbeelden van onderling min of meer
vergelijkbare dan wel juist verschillende
milieuomstandigheden. Het eigen karakter van de vroegere
en huidige Peelvenen moet nog nader worden vastgesteld
en worden vergeleken met de geografische differentiatie
in de Europese hoogvenen."
(Zie "Levende
Natuur"1967)
|