Tij Kools Archief

  Copyright & E-mail: tijkools@versatel.nl
____________________________________________________________________________________________________
 

Deurnese Peel
1

 

 

 

 

Voorwoord
 

Het is de bedoeling van de werkgroep "Milieu" burgers en overheid van Deurne in voorliggende nota aan te tonen dat op hun territorium een onvervangbaar natuurgebied aanwezig is - waarvan een gedeelte nog in ongerepte staat verkeert - dat zijn uniciteit ontleent aan de aanwezigheid van veen.
Deskundigen zullen u beschrijven en bewijzen dat de Peel door bodemgesteldheid, opbouw, flra en fauna een onvervangbaar gebied is.
De werkgroep wil met deze nota een beroep doen op allen die zich verantwoordelijk weten om deze gebieden tegen menselijk ingrijpen op zakelijke basis, te beschermen.
Nu de morele verantwoordelijkheden steeds meer bij de lokale overheden gelegd worden lijkt het de werkgroep hoogst urgent om op korte termijn procedures te ontwikkelen om ongerepte stukken natuur onaangetast te laten en reeds ontgonnen veengronden voor verdere afbraak te behoeden.

 

Geologische geschiedenis van de Peel
door Wim Dobma

Veenvorming. Veen is geologisch gezien een gesteente evenals klei, zand of leem. Terwijl de laatst genoemde gesteenten bestaan uit anorganisch materiaal, is veen een organisch sedentaat bestaande uit afgestorven doch niet vergaan plantenmateriaal, Voor het ontstaan van veen is voorwaarde dat er jaarlijks meer plantenafval geproduceerd wordt dan er kan vergaan. Voor dit vergaan zijn arobe bacterin verantwoordelijk die zuurstof nodig hebben, zodat bij gebrek aan zuurstof geen vergaan van plantenafval zal kunnen plaatsvinden. Aangezien grondwater arm is aan zuurstof, zal afgestorven plantenmateriaal dat onder de grondwaterspiegel terecht komt, niet vergaan doch zich geleidelijk aan ophopen waardoor veen ontstaat.
In gebieden waar door topografische of geologische omstandigheden doorlopend een hoge grondwaterstand aanwezig is, zal zich veen kunnen vormen. Zulke gebieden kunnen bestaan uit bekkens, kommen, dalen, vlakten met een slechte afwatering, dode rivierarmen en waterscheidingen. De doorlatendheid van een gesteente is eveneens een factor die meespeelt bij het al of niet aanwezig zijn van water. Het aanwezig zijn van water dat het evenwicht tussen de productie en het vergaan van plantenmateriaal verstoort, is dus bepalend voor de veenvorming.
In de gematigde luchtstreken, waar de neerslag over het gehele jaar is verdeeld, houdt de productie van plantenmateriaal gelijke tred met de  vernietiging ervan. Indien het vergaan van dit plantenmateriaal door welke oorzaak dan ook, ongunstig wordt benvloed, ontstaat reeds veen. Het hoofdverbreidingsgebied van de venen is dan ook de gematigde zone van het Noordelijk halfrond. In Europa blijken de gebieden langs de Atlantische kusten van N.W. Europa het rijkst aan venen te zijn. Vooral Ierland, Schotland, Nederland, N.W. Duitsland en de Westkust van Noorwegen bezitten (bezaten) uitgestrekte venen.

Indeling der venen. Er bestaan verschillende mrthoden om het veen in te delen. Aangezien behalve het klimaat en de geologische gesteldheid van de ondergrond vooral de topografie van een gebied, waarin veen voorkomt, bepalend is voor het ontstaan van dit veen, wordt door velen de morfologische indeling als belangrijkste gezien. Deze indeling wordt als volgt weergegeven:

1. Vlaktevenen (kust-, dal- of hoogvlakte
2. Kom- en bekkenvenen
3. Rivierbedvenen
4. Dalvenen
5. Hellingvenen
6. Waterscheidingsvenen

Belangrijkste veensoorten. Naar de botanische samenstelling kunnen veensoorten worden ingedeeld aan de hand van een meer of mindere behoefte aan water der veenvormende planten:

1. Limnische slibafzettingen (in vrij diep water, eigenlijk geen veen)
2. Telmatische  veensoorten  (bestaande uit planten die voortdurend met de wortels onder
    water staan)
3. Semi-terrestrische  veensoorten (uit planten die afwisselend onder en boven water staan)
4. Terrestrische  veensoorten   (uit planten boven de waterspiegel  maar afhankelijk van het
    grondwater)
5. Ombrogene veensoorten (uit planten aangewezen op luchtvochtigheid)

Een inleiding aan de hand van het gehalte aan voedende bestanddelen in de veensubstantie luid als volgt:

1. Eutrofe veensoorten (rijk aan basische voedingsstoffen)
2. Mesotrofe veensoorten (gemiddeld gehalte aan voedingsstoffen)
3. Oligotrofe veensoorten (arm aan voedingsstoffen en steeds zuur reagerend)

Veelal komen in een ideaal ontwikkeld veenprofiel van onder naar boven de volgende veensoorten voor (zie tekening onder):

Fragmites-veen (rietveen)
Carex-Menyanthes-hypnaceen-veen (zeggen-waterdrieblad-bladmossen-veen)
Betula-veen (berkveen)
Scheucheria-veen (waterlavendelveen)
Andromeda-veen (Lavendelheideveen)
Oxycoccus-veen (narig wollegrasveen)
Calluna-veen (struikheideveen)
Cuspidatum-veen (Sfagnum cuspidatum, een veenmossoort)
Cymbifolia-veen (Sfagnum cymbifolium, eveneens een veenmossoort)

Ontstaan van het veen in de Peel. In het laatste deel van de jonge ijstijd (laat-glaciaal Weichselien) dooide, door het verbeteren van het klimaat, de permafrost (permanent bevroren ondergrond) steeds dieper weg. Daardoor kon het dooiwater steeds dieper de grond in zakken en kwamen sommige dalen droog te liggen.
Omdat een gesloten vegetatiedek nog niet aanwezig was, kon de wind vat krijgen op het aan de oppervlakte liggende zand waardoor verstuiving optrad.
Talloze dooiwaterdalen raakten op deze wijze verstopt met dekzand waardoor een aaneenschakeling van afvoerloze of gebrekkig drainerende meertjes ontstond. Vooral in het Brabants-Limburgse waterscheidingsgebied was dit het geval, waardoor de erosieve kracht van de bovenlopen der beken gering was zodat zij het ingestoven zand niet kon afvoeren. Bovendien werd aan de Brabantse kant van de waterscheiding het dekzand afgezet in een richting loodrecht op de drainagerichting zodat vooral hier veel afvoerloze depressies ontstonden.
Aan de Limburgse kant van de waterscheiding komt minder veen voor omdat de richting van de dekzandruggen hier samenvalt met die der beken, zodat het ingewaaide zand gemakkelijker afgevoerd kon worden. In deze afvoerloze depressies, gestremde dalen en uitwaaiingslaagten kon zich veen gaan vormen, vooral in het Holoceen (de warme tijd die volgde op de jongste IJstijd en waarin we nu nog leven) toen de plantengroei toenam als gevolg van het verbeteren van het klimaat. In de diepste gedeelten van de afvoerloze depressies en gestremde dalen begon de veengroei echter al in het laat-Glaciaal. Aanvankelijk werden hier slibrijke organogene sedementen afgezet, zoals dy en gyttja, Zweedse woorden voor bodemslib bezonken in voedselarm respectievelijk voedselrijk water. In het Atlanticum, zo'n 3000 jaar na het begin van het Holoceen, waren bijna alle depressies verland met eutroof en mesotroof veen en kon zich over het geheel een kussen van oligotroof veen gaan vormen dat ontstond in een zuur voedselarm milieu en voornamelijk bestaat uit heide-, veenmos-, wollegras- en Scheucheriaveen. Dit oligotrofe veen wordt ook wel hoogveen genoemd terwijl het eutrofe en mesotrofe veen bekend staat als laagveen.

Het oligotrofe veen overwoekerde zelfs de hoger gelegen dekzandruggen waarop dennen groeiden. Deze dennen raakten omkneld, stierven af en vielen om; waar zij in het veen zakten zijn zij bewaard gebleven.

Het oligotrofe veen kon zich blijven vormen totdat door kunstmatige afwatering door de mens de veengroei tot stilstand kwam. Plaatselijk komt in verlaten moerkuilen, in de zogenaamde wijken of in afgesneden waterlopen nog veengroei voor.
In het veen komen grenshorizonten voor, waarschijnlijk zijn dit stilstandsfasen in de veengroei, veroorzaakt door klimatologische omstandigheden.

In het Peelgebied kunnen de volgende veenprofielen worden onderscheiden:

1.Oligotroof veen op  eutroof veen dat ontstaan  is in afvoerloze  kommen met eventueel   organogene meerafzettingen eronder. Hier bestaat het oligotrofe veen uit heide-, veenmos-, wollegras- en Scheucheriaveen, het eutrofe veen uit rietveen en de organogene meerafzettingen uit gyttj.a en/of leemgyttja.
2.Oligotroof veen op mesotroof veen op eutroff veen op organogene meerafzettingen. Het mesotrofe veen bestaat hier vnl. uit moerasbosveen (elzen, wilgen, berken), het eutrofe veen uit riet- en zegge-veen en de organogene afzettingen uit dy en/of gyttja.
3.Oligotroof veen op minerale ondergrond. De minerale ondergrond kan bestaan uit eolisch zand (dekzand, door de wind afgezet), fluvioperiglaciaal zand (door dooi- en smeltwater afgezet in een periglaciaal milieu) of Brabantse leem.

Morfologisch gezien is het veen in de Peel een combinatie van een waterscheidingsveen (waterscheiding tussen de Brabantse en Limburgse beken) en een hellingveen (op de Brabantse flank van de waterscheiding).

De mens in de Peel. Vr de veenvorming was de Peel reeds door mensen bewoond,

 

 

hetgeen blijkt uit de vondsten van jong-paleolitische artefacten (vuurstenen werktuigjes of
afslagen daarvan).
Op de dekzandruggen waarvan de hoogste plaatselijk boven het veen uitsteken, kan men wat talrijkere mesolitische artefacten vinden zoals vuurstenen mesjes, pijlpunten, schrabbers, klingen enz. Ook vindt men mesolitische brandkuilen. Het is niet onwaarschijnlijk dat de mesolitische mensen woonden op de hogere dekzandruggen en gingen jagen in de lagere natte delen waarin de veenvorming toen in volle ontwikkeling was. In de Middeleeuwen is men begonnen veen als brandstof te benutten toen door ontbossing hout schaarser werd. Vanuit de omliggende dorpen trok men de Peel in om turf te steken. Het afgraven van veen op grote schaal begon in het midden van de vorige eeuw toen door het graven van de Zuid-Willemsvaart en de Noordervaart de afvoer van turf per schip mogelijk werd. In die tijd ontstonden ook het kanaal van Deurne, de Helenavaart en de vele zijkanalen (wijken). Vanuit deze zijkanalen werd het veen ontwaterd en afgegraven. Momenteel wordt veen nog afgegraven ten behoeve van de fabricage van turfstrooisel.
Op de geologische kaart Venlo West. (52 West) is de oorsponkelijke begrenzing van het veen weergegeven. In Nederland komt behalve in de Peel, nog hoogveen voor in Z.O. Drente in de omgeving van Klazienaveen en ter weerszijden van de Drents-Friese grens bij Veenhuizen. Het veen in Z.O. Drente wordt plaatselijk afgegraven ten behoeve van de Puritfabrieken voor de fabricage van chemische koolstof. Het Fochterlor veen bij Veenhuizen is n der laatste levende hoogvenen.

Hoewel  een deel van de Deurnese Peel  (het gedeelte ten Oosten van  Liessel tot aan het

 Kanaal van Deurne) Staatsnatuurreservaat is t.n.v. het Ministerie van C.R.M., verdient het aanbeveling zowel uit historisch als uit biologisch oogpunt, ook het overige deel van de Deurnese Peel te behouden.

Gebruikte literatuur:
Toelichting bij de Geologische kaart Venlo West (52 West) schaal 1: 50.000 door Drs. J.C. van den Toorn.
Veenvorming door Dr. J. Visser van Noorduijn's wetenschappelijke reeks

 

 

Klik hier voor Deel 2