De Peel 7


 

Ontginningen bij gemeente Deurne omstreeks 1920. Midden in beeld met
hoed, stakingsleider Peer de Corte.                                        (Foto: fam. De Corte)

 

……………


Peer de Corte

Staking in 1923
bij
de gemeente Deurne

De gemeente Deurne die voorheen enige honderden hectaren grond aan de maatschappij in Helenaveen verkocht had, zag met lede ogen toe dat er veel winst gemaakt werd met het 'bruine goud’ van de Peel; voor de veenmaatschappijen  wel te verstaan. Rond 1895 nam de gemeente Deurne daarom ook zelf de vervening ter hand. Dat was na het verlopen van het contract dat de firma Steegh & Esser had gehad met de gemeente Deurne. Steegh & Esser wilde nog wel voor 1 miljoen gulden veen kopen van de gemeente Deurne, maar die ging niet op dat aanbod in. Deurne had zelf namelijk grote plannen. Aanvankelijk wilde de gemeente een drijvende turfstrooiselfabriek bouwen, maar zag van dat plan af nu ze voor het geringe bedrag van twaalf duizend gulden de turfstrooiselfabriek van Steegh & Esser in haar bezit kon krijgen.   …………………
Tijdens het hoogseizoen in 1895 had Deurne 600 veenarbeiders in dienst, maar voerde er daarna 550 af.
Toen in Deurne in 1922 het aantal werklozen gestegen was tot 489, ging ze over tot tewerkstelling van arbeiders bij het dorp de Rips voor ontginningswerkzaamheden. Deurne kreeg hiervoor Rijkssubsidie, maar ging toch over tot een loonsverlaging van 2 cent per uur voor de arbeiders. Een tewerkgestelde arbeider ontving nog maar 27 cent per uur, terwijl het Rijk voor 30% de lonen voor haar rekening nam. Toen het aantal werklozen daalde tot 369 in 1923 en de loonsverlaging gehandhaafd bleef, kwam het tot felle protesten. Arbeiders met een groot gezin konden dat niet meer fatsoenlijk onderhouden. De R. K. vakbond verzocht de gemeente Deurne dan ook om een iets hogere uitkering, maar de gemeenteraad weigerde hieraan gehoor te geven. Ook bakkers en kruideniers in Deurne (waarvan trouwens 7 bakkers eigenaar van 80 huizen waren!) richten zich tot de gemeenteraad met het verzoek de lonen te verhogen, omdat velen bij hen schulden moesten maken. Ze kregen echter van de gemeente te horen dat ze zelf dan maar de broodprijzen moesten verlagen omdat die te hoog zouden zijn. De arbeiders schoten niets op met dat gekissebis en uiteindelijk leidde de situatie tot een staking op 20 december 1923 bij de ontginningen aan de Snoerts. Stakingsleider was Peer de Corte (vader van zanger/componist Jules de Corte) die steun kreeg van een zekere J. v.d. Akker. Enkele dagen later al sloeg de staking ook over naar het veenbedrijf van de gemeente Deurne.  Directeur van het gemeentelijk veenbedrijf was Wouter Kortooms (vader van de schrijver Toon Kortooms). Hij gaf de veenarbeiders de raad om aan het werk te blijven maar Peer de Corte,  riep de mensen op het werk er bij neer te leggen, wat spontaan gebeurde, tot grote verwondering van de gemeente en haar directeur. Op 24 december stonden er  zo'n 250 stakers en sympathisanten voor het gemeentehuis op de markt in Deurne. Peer de Corte en Van den Akker voerden namens de stakers het woord. Ze eisten een uurloon van 35 cent, voor overwerk 40 cent en een kindertoeslag van 50 cent, te beginnen bij het vierde kind. Het antwoord van burgemeester Van Beek van Deurne was, dat hij krachtens artikel 186 van het wetboek maatregelen kon nemen in verband met de openbare orde. Voor wat de openbare orde betreft, had de gemeente al voorzorgsmaatregelen genomen, want het woonhuis van een veldwachter aan de Liesselseweg zat vol met marechaussee's die moesten ingrijpen als de zaak uit de hand zou lopen. Marinus Vlemmix uit Vlierden was daar toevallig getuige van, omdat hij bij het stropen gepakt was door een veldwachter die hem overbracht naar het pand aan de Liesselseweg waar de marechaussee’s zaten te wachten wat er komen ging. Aan de vakbond hadden de stakers ook niets. Want een afgevaardigde van St. Deus Dedit uit Haarlem, die speciaal naar Deurne was gekomen, had geen andere boodschap voor de mensen dan mee te delen dat de bond niet achter de staking stond, maar het wel eens was met de eisen van de stakers. Met de bond schoten de stakers dus niet veel op, zeker niet toen die ook nog eens op goede voet kwam te staan met de gemeente. Deze handreiking naar de gemeente kwam haar goed van pas en ze kwam met een voorstel aan de stakers. Elke gehuwde man of kostwinner zou 1 gulden per week extra krijgen. Verder zou vanaf het vierde kind een extra toeslag worden gegeven van 50 cent. Inmiddels waren De Corte en Van den Akker ontslagen, omdat zij de staking op touw hadden gezet. De stakers die, zoals eerder de stakers in Helenaveen, van ellende weer aan het werk moesten, want een uitkering hadden ze niet, kwamen aanvankelijk nog wel met de 'eis' dat De Corte en Van den Akker weer terug in dienst werden genomen, maar deze 'eis' vond geen gehoor bij de gemeente. Wel werd korte tijd later Van den Akker weer in dienst genomen.  
……………………………………………….
Na de staking liep de sympathie voor de vakbond danig terug. Het aantal bondsleden zakte van 102 naar 43.
Peer de Corte moest, na de dappere strijd, rond zien te komen van een ondersteuning van het Armbestuur. 
In januari 1924 werd in een brief om hulp gevraagd aan de Commissaris van de Koningin. Deze vroeg nog wel om inlichtingen over de kwestie bij de gemeente Deurne, maar verder leverde het niets op voor Peer de Corte. In april 1924 ging de gemeente Deurne werken met een 'zwarte lijst'. Personen die op de lijst voorkwamen, mochten niet in dienst treden bij de gemeente. Zo had de gemeente een mooi middel in handen om 'boosdoeners' uit haar dienst te weren. De arbeidsrust was weergekeerd.
Willem Wijnen, pleitbezorger voor de arbeiders en jarenlang lid van de gemeenteraad van Deurne, mocht geen artikelen meer leveren voor het plaatselijke weekblad. Hij nam daarop het initiatief om een eigen blad met de naam "Nieuwe Deurnesche Courant" uit te geven. Hieronder een klein stukje van 17 januari uit die courant:

"Als men in de nieuwsbladen, de noodkreten van de Drenthsche veenen leest, gaat het ons tot nadenken stemmen.
Moesten wij vroeger in de Zuidwillemsvaart steeds lezen, van slavenwerk, arme turfgravers, gebrek lijden, dat de arbeiders voor hun tijd versleten waren en zelfs in hunne jeugd werden geknakt. Dat de peelwerkers met beestachtig hard werken, niet zooveel konden verdienen dat zij voor het onderhoud der hunne konden voorzien. Nu het werk veel zwaarder is geworden en het levenspeil der arbeiders beneden het bestaan van  1914 is gedaald, moet men steeds hooren van iemand, die vermoedelijk (familie van bedoelde stukken is), dat nergens zoo veel voor de arbeiders wordt gedaan dan in onze gemeente.
Als men de loonen  der werkverschaffing Drenthe vergelijkt met de loonen in onze gemeente kan ik niet ontkomen aan den indruk dat de loonen hier niet beter zijn dan in Drenthe en de toestand verbetering behoeft.

Hannes".

 

Klik hier om verder te gaan