|
Voorwoord
van Harry Maas
___________________________________________________________________
Voorwoord
De heer
Tij Kools te Deurne, die deze nieuwe uitgave
van "Uit de Donkere Gewesten" heeft
verzorgd, bewees mij de eer, mij te vragen
om een kleine bijdrage bij wijze van
aanvulling op de inleiding van het Boek.
Mijn
vader, de letterkundige H. H. J. Maas,
schrijver van een aantal romans over het
Noord Limburgse land van omtrent de
eeuwwisseling - zoals 'Het Goud van de
Peel', 'Landelijke Eenvoud' en
Verstoteling', was een leerling en navolger
van H. N. Ouwerling. Tussen gewezen meester
en kwekeling groeide een hechte vriendschap,
en tijdens zowel als kort na de eerste
wereldoorlog, toen ons gezin te Roermond
woonde, was H. N. bij ons een geregelde
bezoeker. Uit die tijd dateren dan ook de
weinige herinneringen die ik aan hem heb
bewaard.
Ik was negen tot vijftien jaar oud en wat
mij van hem is bijgebleven is uiteraard
datgene wat indruk maakte op een zeer
jeugdig gemoed. De politiek, waarover bij
ons thuis zo druk werd gepraat, had voor mij
niets aantrekkelijks, en de gebeurtenissen
in de grote mensenwereld met uitzondering
misschien van 't nieuws 'van het westelijk
front' als de geallieerden een 'overwinning'
hadden behaald ging nog geheel buiten mij
om. Daarom wil ik mij in dit opstelletje
beperken tot mijn eigen ervaringen met onze
huisvriend, wat tevens 't voordeel heeft dat
't oorspronkelijk is en in geen enkel ander
boek te vinden.
De
stoomtram van de L. T. M. liep nog niet en
H. N. maakte de vijf-en-dertig kilometer
lange tocht van Deurne, zijn woonplaats,
naar Roermond, altijd te voet. Wat ouder
geworden, stelde ik mij graag voor hoe hij
in de ochtend van een eindeloze zomerdag de
wandeling begon en uur na uur voortstapte
langs bosrand en korenveld - met de
leeuwerik erboven - onder weg met de
landlieden sprekend over de stand van 't
gewas en om uit te rusten zijn glas bier
drinkend onder de linden van een
boerenherberg.
In de late namiddag zagen wij hem dan
aankomen: een stoere, wat gedrongen figuur,
nog onvermoeid, hoewel vermoedelijk wat
stoffig. Gewoonlijk had hij een slappe
strohoed op die 'Panamahoed" heette en bij
ons kinderen de naam had, dúúr te zijn,
waarom hij alleen door sjieke heren werd
gedragen. Met een elastieken koordje was de
Panama bevestigd in een knoopsgat van zijn
'wit piqué' vest, of soms, ook heel deftig,
een vest met kleurige bloemetjes. H. N.
stond bij mij en mijn oudere broer in hoog
aanzien; hij zal dus wel wat voor ons hebben
meegebracht.
Hij wist alles van de natuur; op onze
wandelingen herkende hij elk vogeltje en elk
kruidje in de berm, en wilde dat wij dat ook
zouden leren. Wat mij betreft lukte dat
slecht: ik zag liever boten, rail en
treinen, wat, vrees ik, aanleiding was tot
een zekere wrevel van zijn kant. Eens had H.
N. mij een mooi schetsboek geschonken, groot
en met een stijve groene kaft. Later ben ik
kunstschilder geworden en natuurlijk op mijn
twaalfde ook al druk aan 't tekenen. Als
eerste kunstwerk in 't nieuwe schetsboek had
ik een imaginaire landkaart gemaakt (ik ben
nu nog verzot op kaarten en plattegronden)
en daarover, overigens bijzonder slordig,
met harde blauwe en rode strepen water -en
spoorwegen aangelegd. Daarvoor had ik een
'kantoorpotlood' dat aan de ene kant blauw
en aan de andere kant rood schreef - een
stompje van een later exemplaar ligt in mijn
tekendoos. Zodra H. N. 't zag - ik had 't
hem niet willen tonen maar er was niet aan
te ontkomen - vond hij terecht dat ik zijn
tekenboek op een verschrikkelijke manier had
bedorven. Om mij te bewijzen hoe 't wel
moest tekende hij voor mij op 't volgende
blad een schilderachtige boerderij met 'n
rieten dak, want naast zijn vele andere
begaafdheden had hij ook nog een bescheiden
schildertalent.
Lang heeft bij ons thuis een
heidelandschapje van hem gehangen,
donkergroen met een okergele zandweg.
Gedurende de tweede wereldoorlog, toen
zoveel van eigenaar veranderde, is het
terecht gekomen in de collectie van
Brussel, tegenwoordig de erven van Brussel
te Vught. Toen 't boerderijtje voltooid was
sprak H. N. honend: 'Trek er nu maar rode en
blauwe krassen over!' Dat heb ik nooit
durven of willen doen en zijn tekenvoorbeeld
is ongeschonden (en vruchteloos) blijven
bestaan tot 't met de rest van 't boek in
een lang vergeten prullenmand verdween.
Merkwaardig is dat H. N. toch dezelfde
liefhebberij had als ik: het aanleggen van
denkbeeldige spoorlijnen. Omstreeks 1918 of
wat later schreef hij voor 'De Zuidwillemsvaart'
zijn reeks artikelen 'Spoorwegen met
beperkte snelheid' waarin hij de Peel - een
leeg gebied dat zich daar uitermate goed
voor leende - naar hartenlust doorkruiste
met lokaalspoor- en stoomtramwegen.
Vele jaren nadien heb ik deze artikelen
willen herlezen en erover gesproken met een
andere oud-leerling van Ouwerling's
hoofdaktecursus: Jacques Heeren,
hoofdredacteur van de Z. W. V. en tenslotte
stadsarchivaris van Helmond. De heer Heeren
wist er nog van en had de oude kranten in
zijn bezit.
Het is er niet meer van gekomen dat ik ze
ter inzage kreeg, zodat H. N.'s spoorplan-
nen nog verborgen liggen in 't archief:
wellicht een dankbaar object voor een
toekomstige onderzoeker.
Ons gezin is in 1923 van Limburg naar 't
Gelderse verhuisd en sinds hebben we zover
ik weet de heer Ouwerling niet meer gezien.
Was er een verwijdering ontstaan tussen hem
en mijn vader, of begon H. N. de last van de
jaren te voelen en was hij niet meer zo
ambulant? Hoe 't zij: latere taferelen
waarin hij een rol speelt staan mij niet
voor de geest.
Voor mij is hij de elegante besnorde heer
gebleven, met strohoed en wit piqué vest,
sigaar, lornet en wandelstok, zoals hij
zelfbewust voortging 'langs der beekjes
boord' om ons te komen bezoeken in Roermond.
Harry Maas
Eindhoven, 1976.
|